Een kopje thee tussen het prikkeldraad

De politie sluit de hekken van het kleine medische gebied in het kamp. Al onze vrijwilligers zijn nu ingesloten samen met de new arrivals. We kunnen geen kant meer op, omringd en ingesloten door hekken en prikkeldraad. Deze nieuwe mensen zijn drie uur geleden aangekomen op het eiland. Sommigen zitten, nog helemaal doorweekt van het water dat hun bootje in is geslagen, te rillen van de kou op de bankjes voor onze cabines. Onder de bankjes, naast hun modderige schoenen staan hun kleine, tevens met modder besmeurde rugzakken. In deze rugzakken zit hun hele leven: het zijn waarschijnlijk alle bezittingen die ze hebben meegenomen van de plek die ooit hun thuis is geweest. Er is een baby die niets anders kan dan huilen. De oudere kinderen hebben zichzelf onder geplast en ruiken alles behalve fris. Tussen ons in verspreid staat de politie. De vrouwen huilen en de mannen staren met holle lege ogen voor zich uit. De sfeer is gespannen, emotioneel en drukt op onze schouders. Wij, vrijwilligers, kijken elkaar aan. Vastberaden dit maal. Dít is het moment dat wij deze nieuwe mensen kunnen laten zien dat ze niet vergeten zijn in deze grote enge, wereld. Dít is het moment om hen te laten zien dat er vreemden op deze wereld zijn die om hen geven. Dít is het moment om ze een stukje menselijkheid terug te geven en onze handen uit onze mouwen te steken.

Wat een prachtig team hebben we. Met ons allen spreken we onder andere Arabisch, Frans en Engels. We bieden iedereen een warme kop thee aan. Voor de baby’s hebben we in de milkroom schone luiers, vochtige doekjes, sapjes, melk en cerelac. De kleine kinderen kunnen meteen naar onze dokters om ze een medische check te geven. We delen warme cerelac uit zodat de moeders hun hongerige en koude kinderen kunnen voeden. Ook de zachte, warme baby dekens komen tevoorschijn en worden weggegeven. We leggen onze elektrische deken op de grond en gaan spelletjes doen met de kinderen om die lach terug op hun gezichtjes te toveren. Door de grote hoeveelheid talen die we spreken, kunnen we vele vragen beantwoorden en maken we deze enge momenten voor de new arrivals iets minder beangstigend.

Na twee maanden zit ik weer thuis op de bank in Nederland afleveringen terug te kijken van het programma over boeren die op zoek naar de liefde. Met een kop thee naast me voelt het alsof ik nooit ben weg geweest. Het voelt bijna alsof afgelopen twee maanden niet gebeurd zijn, zo onwerkelijk lijkt alles nu.
Ik wil Stichting Bootvluchteling bedanken. Ik wil haar bedanken voor haar aanwezigheid op het eiland. Denkend aan Samos, weet ik hoe lastig het leven is voor sommige mensen in het kamp. Elke dag weer het eindeloze wachten. Het eindeloze wachten waarop eigenlijk? Niet wetend wat hen te wachten staat, zich meer dan ooit beseffend dat zij bijna alles achter laten, zijn zij op weg gegaan naar Griekenland. En daar staat hen eerst een leven omringd door hekken en prikkeldraad te wachten; een leven waarin zij soms de eerste, enge momenten nat en koud moeten doorbrengen in een dichte medische area.

En precies daar, net over die grens van Europa, staan de vrijwilligers van Stichting Bootvluchteling de mensen in het kamp op te wachten. Elke dag weer, ongeacht of het een nationale feestdag, vrije dag of zondag is, zijn de milkroom en de medische cabine geopend. We zijn er altijd om een kop thee te geven, om vaders en moeders spullen voor hun baby te geven, om kinderactiviteiten te doen en om patiënten te zien. Het is een troostende gedachte dat nu ik er zelf niet meer ben, andere fantastische vrijwilligers weer precies hetzelfde zullen doen als ik gedaan heb. Het geeft me hoop dat er nu nog steeds mensen zijn die new arrivals een kopje thee zullen geven wanneer zij nog nat in de medische area zitten te rillen van de kou. En bovenal ben ik dankbaar dat er in het kamp vrijwilligers zijn met een troostende schouder en een luisterend oor, om daar waar het mogelijk is, een stukje menselijkheid terug te geven aan de mensen in het kamp, in een plek omringd door hoge hekken.

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Foto: Arie Kievit