Leven op Lesbos

Ik sta naast een vluchteling uit Syrië. Het is twee uur ’s nachts en hij bloedt op mijn schoenen. Het is een ramp om bloed van je schoenen te krijgen. Zijn vrienden sleepten hem naar onze medische post nadat hij een scheermesje op zijn pols had gezet. Hij is waarschijnlijk dronken. Zijn arm ziet er behoorlijk verschrikkelijk uit.

Hij lijkt de pijn niet te voelen, maar hij bloedt enorm. Hij blijft niet stil zitten en wil nu een sigaret. Ik laat hem gaan. Ik denk niet dat ik echt een keuze heb. Buiten staat een grote groep mannen. Sommigen zijn bezorgde vrienden. Anderen zijn komen kijken waar alle commotie om is. Ik neem het ze niet echt kwalijk, het leven in Moria is zielslopend saai.

Nu is iedereen aan het schreeuwen. Ik heb geen idee waar het allemaal over gaat. Mijn tolk schreeuwt ook. Ik vang de blik van de andere vrijwillige arts. Ze lijkt wat angstig. Ik ben blij dat ik niet de enige ben. Zachtjes knijp ik in zijn onderarm in een poging de bloeding te verminderen. De sigaret is opgerookt. Het schreeuwen gaat door. Het bloeden gaat door. Het is tijd om in actie te komen. Ik probeer over te komen alsof ik de leiding heb en ik verkondig dat we weer terug naar binnen gaan. Tot mijn opluchting werkt het. Ik vind het prettig in de post. Het is er warm, er is goede verlichting en ik heb medische spullen. En er zijn geen twintig boze mannen die tegen elkaar schreeuwen.

Hij vraagt me mijn hand van zijn arm af te halen. Hij wil er een foto maken met zijn telefoon. Serieus? Ik kijk goed. Het is erg diep. Is dat bot? Hier ben ik goed in. Eerlijk gezegd geniet ik hier van. Maar normaal gesproken heb ik beveiligers, verdoving, ruimte, licht, warmte en als het niet goed gaat kan ik een vriend bellen die me komt helpen. Dit is Moria and ik zit in een portacabin waar ik twee keer eerder gebruik van heb gemaakt.

Stichting Bootvluchteling heeft een fantastische klus geklaard met het inrichten en bevoorraden van de kliniek. De kleine ruimte is goed georganiseerd en ondanks het voor ons onbekende terrein kunnen we alles vinden wat we nodig hebben. Ondanks de problemen weten we succesvol het bloeden te stoppen en de wond schoon te maken en veertien hechtingen later lijkt het al weer wat meer op een arm. Hij neemt nog een foto, ik ben best trots op het werk dat we hebben verricht. Ik vraag me af of het op Facebook zal weten te belanden. Het is maar iets kleins, maar als Stichting Bootvluchteling er niet was geweest, zou zijn arm permanent beschadigd zijn geweest en had hij dood kunnen bloeden.

‘Automutilatie’ of ‘zelfverminking’ is alledaags hier. Het is niet moeilijk te zien waarom. Ondanks de portretten die de media van de vluchtelingen schetst, is wat me het meest opvalt aan de vluchtelingen die ik ontmoet dat ze zo gewoon zijn. Normaal, aardig, vriendelijk, goedgehumeurd, intelligent. Jonge mannen wiens leven in stukken is gescheurd. Het verbaast me dat we niet meer automutilatie zien. Het verlies van familie, de niet-gediagnosticeerde posttraumatische stress, de verveling, het langzame verlies van hoop, het verlies van menselijkheid en dan het eindeloze wachten.

Ik ben er niet zeker van dat ik het zover zou redden.

Tekst: Dave Clarke
Foto: Henk van Lambalgen Photography