Een luisterend oor in kamp Moria

De medische shift is al een paar uur bezig als er ineens hard op de deur wordt geklopt. Er staat een man voor de cabine die ons bezorgd uitlegt dat zijn vriend een overdosis medicatie heeft genomen en bewusteloos in één van de barakken ligt. Het is een noodgeval en er is hulp nodig, legt hij uit. Het team reageert direct en rent heen en weer om de juiste medische apparatuur te verzamelen. Een paar seconden later rennen ze het kamp in met een bloeddrukmeter, een glucosemeter en een walkietalkie. Samen met een andere vrijwilliger blijf ik bij de medische cabine om de rust te bewaren.

Even later wordt de bewusteloze man binnengedragen. Ik herken hem. Vorige week werd hij aan handen en voeten binnengedragen door vier vrienden om dezelfde reden, een overdosis aan medicatie. Toen moesten we met zijn vieren ervoor zorgen dat hij zichzelf niet zou beschadigen, door elk een arm of been vast te houden. Nu beweegt hij niet. Eén van onze doktors spreekt Arabisch, waardoor er direct gecommuniceerd kan worden met de vrienden van de man. Het slachtoffer heeft een chronische ziekte en moet van de dokter naar het ziekenhuis om hem te laten checken.

De bezorgde vrienden willen niet dat hij wordt meegenomen door de ambulance. ‘Zie je die snee in zijn nek?’, vraagt één van zijn vrienden. ‘Die snee is van de vorige keer toen hij in het ziekenhuis was. Toen probeerde hij zijn keel door te snijden. Hier in het kamp letten wij op hem, zodat hij geen gekke dingen doet. In het ziekenhuis kijkt niemand naar hem om’, vertelt de man. Uiteindelijk komt toch de ambulance en wordt hij meegenomen.

Een paar minuten later ga ik koffie halen bij het geïmproviseerde koffiestalletje in Moria, opgezet door een vluchteling. Een vriend van de zojuist afgevoerde man spreekt mij aan. Hij is boos, nee, hij is woest. Niet op mij als persoon, maar op de situatie waarin hij, zijn vrienden, en iedereen hier zit. Over de valse beloften van Europa, over de zogenaamde mensenrechten die hier zouden zijn, over het feit dat ze als beesten op een hoopje wonen, over de onmenselijke situatie voor iedereen die in dit kamp zit en de niet te bevatten uitzichtloosheid van zijn leven, en daarmee het leven van iedereen die hier zit. ‘Zie je dit, dit is de achtste keer dat mijn vriend dit doet, dat komt er van.’ Ik luister naar hem en zwijg.

Hij vraagt of ik even mee wil komen, een paar minuten. Dat wil ik. Hij leidt mij een donkere tent in en schijnt met de zaklamp op zijn telefoon, zodat ik de binnenkant kan zien. Ik zie een tent zoals ik die al, jammer genoeg, veel vaker heb gezien: acht matrassen op een veel te klein oppervlak, een paar kleden, voor de rest niks. ‘Zie je dit? Dit kan toch niet! En ruik je dit? Het stinkt!’ Hij heeft gelijk.

We staan weer buiten en de man raast boos door. Na een paar minuten slaakt hij een diepe zucht. Het is stil. Dan zegt hij: ‘Dankjewel. Dankjewel dat je naar mij geluisterd hebt. Niemand hier luistert naar ons. Duizendmaal sorry dat ik zo boos was.’ Ik vertel hem dat hij alle recht heeft om boos te zijn en dat ik blij ben dat hij zijn woede heeft geuit op deze manier. Aan de ene kant is het mooi, dat ik door een simpele handeling als luisteren hem kan helpen. Aan de andere kant is het diep triest, dat een simpele handeling als luisteren hetgeen is dat zo veel mensen in kamp Moria zo hard nodig hebben en dat daar zelfs een tekort aan is.

Op mijn laatste dag op het eiland hoor ik van een andere vrijwilliger dat de man, die al meerdere malen een suïcidepoging heeft gedaan, een versneld proces heeft gekregen met betrekking tot huisvesting en psychologische zorg. Er loopt een traan over mijn wang. Ik weet niet of dat van blijdschap of van verdriet is. Ik ben blij, dat hij waarschijnlijk binnenkort ergens anders dan in Moria gehuisvest wordt. En ik ben verdrietig, omdat het blijkbaar nodig is dat iemand acht keer een suïcidepoging moet doen voordat hij een miniem stipje op de radar wordt.

Ik heb mij in de afgelopen weken verbaasd over de diversiteit aan mensen die in het kamp zitten. Over de vriendelijkheid, gastvrijheid en intelligentie in dit kamp. Ik heb geen slecht mens ontmoet en mij er altijd veilig gevoeld, ondanks dat het een stukje hel op aarde is. Vol wijze lessen, gedachten en tegenzin keer ik terug naar Nederland. Mij bewust als nooit te voren van de dagelijkse vanzelfsprekendheden in mijn leven die voor zoveel mensen op de wereld niet vanzelfsprekend zijn.

Tekst: Eefje Boot
Foto: Henk van Lambalgen