Lesbos – De voorbereidingen

Nog een paar dagen en dan is het zover, samen met mijn collega’s Imke en Ans ga ik naar Lesbos. Imke en Ans zijn al vaker geweest en dat vind ik wel een prettig idee. Ik zie ernaar uit om eindelijk zelf te mogen gaan. Vorig jaar keek ik met verbazing en dikke tranen naar de tv en zag alle boten die binnenkwamen. Ik raakte betrokken bij Stichting Bootvluchteling en begon met het begeleiden van acties. Ik kon op dat moment niet zelf naar Lesbos, maar kon op deze manier mijn verontwaardiging en verdriet omzetten in een kleine bijdrage aan het enorme leed wat zich voltrok.

Inmiddels is de situatie in Griekenland erg veranderd. Het werk op de stranden heeft zich verplaatst naar de kampen. Stichting Bootvluchteling is actief in het begeleiden van de vluchtelingen. Afleiding is enorm belangrijk om rellen en onrust te voorkomen. Ook is medische zorg heel hard nodig. Kinderen moeten gevaccineerd worden en door alle spanning bij de moeders is er extra begeleiding nodig bij het geven van borstvoeding. Dingen waar je misschien niet direct aan denkt, als je de beelden van grote groepen vluchtelingen op tv ziet.

Als ik aan mensen vertel dat ik naar Lesbos ga, hoor ik vaak: “Is daar nog wel wat te doen dan?“. Veel mensen hebben de indruk dat door de deal met Turkije het “probleem” is opgelost. Dit is niet het geval. Griekenland kan als land nooit alleen opvang bieden aan de enorme groep vluchtelingen. Ik ben blij dat Stichting Bootvluchteling een van de organisaties is die hulp ter plaatse kan en wil bieden. Ik neem jullie graag mee op onze reis, door het delen van mijn verhaal.

Tekst: Judith (medewerkster Stichting Bootvluchteling)

Athene – Achter de lach schuilt vaak angst

Monique vertelt over haar eerste dag dat ze als vrijwilliger aan het werk gaat in Athene: “De stadsbus rijdt een troosteloze oude parkeerplaats van een verlaten vliegveld op. Overal staan tentjes op het asfalt en ligt afval op de grond. Kinderen spelen op korte afstand van een drukke weg. Volwassenen zitten bij hun tentjes of lopen uiterlijk doelloos rond. Een troosteloze aanblik.

Bij het uitstappen uit de bus komen een aantal kinderen aangerend. Hun zwarte tandjes lachen ze bloot en ze pakken meteen stevig mijn hand vast om die vervolgens niet meer los te laten. Vanuit mijn werk als orthopedagoog gaan meteen mijn alarmbellen rinkelen. Dit veel te vrije gedrag is geen normaal gedrag en hoe schattig het er ook uitziet, dit gedrag past bij een onveilige hechting. Wat ze laten zien is overlevingsgedrag wat ook vaak gezien wordt bij kinderen die opgroeien in een kindertehuis. Bij gebrek aan veiligheid en vaste en stabiele ouders, klampen ze elke welwillende voorbijganger aan en hopen ze op wat aandacht. Ook al lachen de kinderen, achter die lach zit vaak angst.

Een jongetje van een jaar of negen staat in de rij om touwtje te springen. Er wordt geduwd en getrokken en hij krijgt een woede-aanval. Niet de eerste keer schijnt het, hij heeft elke dag wel een paar keer een boze bui. In plaats van hem weg te sturen neemt een vrijwilliger, die hem al een tijdje kent, hem dicht bij zich. Dikke tranen wellen op in zijn ogen en het verdriet is van grote afstand voelbaar. Wat heeft dit mannetje meegemaakt? Wie en wat heeft hij allemaal achter moeten laten? Na een half uurtje is hij weer gekalmeerd en kan hij weer meedoen met springtouwen. Even aan niets anders denken dan springen, in het hier en nu. Even in gedachten weg van alle narigheid en stress. Gejuich bij de kinderen als hij bij “thirty” is. Hij glundert.

Wat heb ik veel bewondering voor deze kinderen, die zich staande moeten houden in deze onmenselijke en vaak ook gevaarlijke situatie. En wat hoop ik, tegen beter weten in, dat er snel een oplossing komt, zodat ze zich veilig kunnen gaan (leren) voelen. Dat zij, en ook hun ouders en familie, gezien en gehoord gaan worden en ervaren dat ze er mogen zijn. Want net als elk ander kind hebben ze hier recht op!”

Tekst: Monique Beurskens (vrijwilliger Team Athene)

Samos – Een voorzichtige glimlach verschijnt op zijn gezicht

“Met een klap raakte het vliegtuig de stoffige grond, waarmee voor mij twee weken dokteren op Samos begon. Dezelfde avond maakte ik tijdens mijn eerste dienst kennis met een overvloed aan mensen met kleine klachten zoals hoofdpijn, keelpijn, wondjes en kneuzingen. Maar ook grotere problemen zoals terugkerende paniekaanvallen en weglatingen en mensen met chronische ziekten. Gelukkig zijn we hier voorzien van een kleine, hete, maar met medicijnen overladen container voor de acute medische zorg.

Die nacht was er een groot gevecht. De volgende ochtend betreed ik onzeker het detentiecentrum en proef een grimmige sfeer. Mohammed die gisteren vrolijk om me heen huppelde en me enthousiast leerde om in het Arabisch te tellen, komt met opgetrokken schouders en een terneergeslagen blik binnen. Ik verzorg een schram op zijn arm. Als ik vraag hoe het met hem gaat, zegt hij ‘not good, there was a fight’. Hij pakt met beide handen zijn hoofd en steunt met zijn ellebogen op zijn knieën en zegt verder niets meer. Ik maak me zorgen: waar zijn z’n ouders? Wat heeft hij vannacht meegemaakt en wat draagt hij al met zich mee?

Later kom ik hem weer tegen en laat hij ons trots de container zien waarin hij slaapt. Acht slaapplekken op 12m2, het toilet is nog niet aangesloten en ik bemerk dezelfde hitte als in onze container. Het kamp is bedoeld voor 250 mensen en er zijn er bijna 1000. Even later komt z’n moeder aan lopen en hij duikt in haar armen. Ze vertelt dat ze zijn gevlucht uit Aleppo en dat haar man is omgekomen. Ze heeft niets om naar terug te keren en verder gaan lijkt voorlopig onmogelijk. Ik slik en weet niet veel anders te doen dan hen uit te nodigen bij de post. Na een uur zie ik de moeder een kopje ‘chai’ drinken en Mohammed kijkt mee met een spel boter, kaas en eieren. Er verschijnt voorzichtig weer een glimlach op zijn gezicht.

De uitzichtloosheid, frustratie over het zeer trage proces, de onveiligheid, het gebrek aan iets te doen of educatie zijn overweldigend. Het is onmogelijk dit te veranderen. We zijn blij om met kleine dingen, zoals de populaire uitgifte van thee, medische hulp, baby’s voorzien van pap en melk, een borstvoedingsplek en Engelse lessen, het grote leed iets te kunnen verlichten.”

Foto en verhaal: Annemarie (vrijwilliger voor Stichting Bootvluchteling)

Idomeni – Ontruiming

Team Stichting Bootvluchteling vertrekt naar Malakasa.

Deze week is de ontruiming van het geïmproviseerde kamp in Idomeni begonnen. In dit kamp aan de Grieks-Macedonische grens zaten de afgelopen maanden duizenden vluchtelingen te wachten tot ze de grens konden oversteken. De vluchtelingen worden nu verplaatst naar andere locaties op het Griekse vasteland. Het team van Stichting Bootvluchteling gaat aan de slag in het vluchtelingenkamp in Malakasa.

Coördinator Jetty blikt terug op de afgelopen weken in Idomeni: “Zeven weken werkte Stichting Bootvluchteling in Idomeni samen met Save the Children. Dagelijks gingen we de tenten langs met “halip and portugali” (rijstepap en een sinaasappel) voor kinderen tot 12 jaar, zwangere of borstvoedinggevende vrouwen en hulpbehoevenden. Een mooie taak, waarbij elke vrijwilliger wel een speciaal tentje vond waar hij/zij wat langer bleef hangen.
Ook bijzonder waren de “spoonboys and -girls”. Zodra onze bussen in het vizier van de kinderen kwamen, renden ze al naar de plaats waar we de auto parkeerden, om zich aan te bieden voor de “spoons” (lepels). Wij dragen de tassen; zij de spoons. Een taak die heel serieus werd genomen door de kinderen.

Nu de ontruiming van Idomeni is begonnen, zit onze taak erop en gaan we 25 mei richting Malakasa. Dit vluchtelingenkamp is ingericht voor 1500 Afghanen. De overheid heeft ervoor gekozen om de Afghanen zoveel mogelijk bij elkaar in een kamp te zetten omdat zij door de andere bevolkingsgroepen worden gediscrimineerd. We zetten er een dagbestedingsprogramma op voor verschillende leeftijdsgroepen.”

Tekst: Jetty / Foto: Inge (vrijwilligers voor Stichting Bootvluchteling)

Samos – De vergeten mensen

“Het is 22.30 uur en de dienst voor het Samos-team van Stichting Bootvluchteling is ten einde. We lopen langs de tentjes naar de uitgang van het vluchtelingenkamp waarvan ‘een gevangenis zonder bescherming’ meer de juiste benaming is.

Onderweg worden onze artsen aangesproken door een aantal vluchtelingen. Een moeder zit op een bankje, met op haar schoot haar vijfjarige zoontje. Het kindje is buiten bewustzijn geraakt en nu weer aan het bijkomen. Ook wordt verteld over de brandwonden die het jongetje eerder gekregen heeft door toedoen van Daesh (IS). ‘Walgelijk’ gaat er door me heen, een woord dat nauwelijks de lading dekt.

Geërgerd roept een politieman tegen de artsen: ‘If you go now, I have problem if something goes wrong. Hospital or no hospital?!’. Besloten wordt om de jongen met zijn moeder en één van onze artsen met de ambulance naar het ziekenhuis te brengen. Later in het ziekenhuis moet zijn moeder terug naar het kamp worden gebracht om borstvoeding te geven aan haar drie maanden oude baby.

Terwijl de rest van het team de moeder wegbrengt en de vader ophaalt met onze bus, blijf ik bij het jongetje dat inmiddels in een ziekenhuisbed in slaap is gevallen. En terwijl hij daar zo kwetsbaar, vredig ligt te slapen, wens ik hem liefde en veiligheid. En bedenk me dat dit één van de 940 levens op Samos is, waarin de meest vreselijke, onvoorstelbare gruwelheden zijn gebeurd. En dan te bedenken dat deze vluchtelingen, deze mensen, op dit moment in een gevangenis zonder bescherming verblijven. Ik vraag om compassie voor deze mensen, de vergeten mensen op Samos.”

Tekst en foto: Vera

Jaarverslag

Begonnen aan de keukentafel, uitgegroeid tot professionele organisatie.

2015 was het jaar van duizenden bootvluchtelingen die de overtocht maakten naar Europa. Geraakt door het enorme leed van deze mensen en geschokt door het uitblijven van professionele hulp aan deze kwetsbare doelgroep, kwam een groepje verontwaardigde mensen in actie. Wat begon met het inzamelen van kleding voor bootvluchtelingen op Malta, groeide uit tot een gestroomlijnde organisatie die professionele hulp biedt aan duizenden vluchtelingen op zes verschillende locaties in Griekenland. Vandaag presenteert Stichting Bootvluchteling haar eerste jaarverslag.

Lesbos – Zuster Roos schrijft #2

Mijn collega rijdt de medische bus de oprit op. We zijn aangekomen bij het voormalige hotel ‘Silver Bay’. Een plek die sinds vorig jaar opvang biedt aan ruim 300 kwetsbare vluchtelingen. Van mijn collega begrijp ik dat inmiddels alle kamers bezet zijn met ouderen, zwangere dames en gezinnen met jonge kinderen.

Ik open de schuifdeur van de bus waar een volledige behandelruimte achter schuilt. Door deze actie open ik blijkbaar ook gelijk ons spreekuur, want direct gaan mensen in onze geïmproviseerde wachtruimte zitten. Samen met mijn zus, huisarts in opleiding, ga ik aan de slag. We zien te hoge bloeddrukken, wonden en bezorgde zwangere vrouwen. Net voordat we denken klaar te zijn, wappert het gordijn nog één keer open.

Een meisje, met een geschatte leeftijd rond de vijf, kijkt me met glanzende ogen aan. Dikke tranen biggelen over haar wangen. Ze laat haar hand zien, waar een bloedend schaafwondje op zit. De nog stuiterende bal achter haar verraadt de oorzaak. Ik pak haar op en zet haar op de grote behandelbank. Toch wel interessant deze ruimte, al scannend kijkt ze de bus door. Ze stopt met huilen door alle indrukken. De pijn door de val is inmiddels weer vergeten; een aai over haar bol en een pleistertje blijken genoeg te zijn. Voor een beetje extra TLC, tender, loving, care, wil ik haar nog iets extra’s geven. Maar wat? Ik heb hier niks.

Door een creatief hersenspinsel blaas ik een wegwerphandschoen op tot een ballon en teken er een gezichtje op. Ze rent lachend weer weg. Weer een patiënt blij gemaakt. Of… toch niet? Ze rent opnieuw mijn richting op met zeker tien kinderen achter zich aan. Bij de bus aangekomen wijzen ze naar de ballon. We hebben ons vergist, ik ben nog niet klaar; dit wordt nog even blazen en lusjes knopen…

Tekst en foto: Roos / www.facebook.com/zusterroos

Lesbos – Zuster Roos schrijft #1

Midden in een van de grootste vluchtelingenkampen van Lesbos staat een grote witte container. Een medisch logo en een bijschrift, vertaalt in acht verschillende talen, maakt duidelijk dat hierin een medisch team werkzaam is. De komende twee weken probeer ik mijn steentje bij te dragen om als verpleegkundige het team te ondersteunen en letterlijk mijn handen uit de mouwen te steken.

“Next patient!” roep ik vanuit de container naar mijn collega die bij de voordeur de triage uitvoert. Als reactie hierop stuurt hij een vermoeid ogende jongen door. Ik vraag me af wanneer hij voor het laatst geslapen heeft. De arts sluit de deur achter hem, vraagt hem te gaan zitten en zijn medisch probleem uit te leggen. De jongen wijst naar zijn keel en denkt koorts te hebben. Ik meet zijn temperatuur op, terwijl de arts hem onderzoekt door een klein lichtje in zijn keel te schrijnen. Gelukkig is er niet veel aan de hand. Ik pak een Strepsel uit de kast en vraag voordat ik het consult tot een goed eind breng naar zijn gegevens.

“How old are you?” vraag ik. “23”. “Where are you from?” Hij beantwoordt de vraag met een ingewikkeld en Arabisch klinkende plaatsnaam. Hij lacht en geeft aan dat het in het Noorden van Syrië ligt. Zonder het te vragen omschrijft hij de paradijselijke plek. Een golf van emotie overmant de jongen wanneer hij uitlegt dat het dorp door de oorlog bijna helemaal van de kaart geveegd is. Het idee dat deze jongen zijn huis, werk en de helft van zijn familie heeft moeten achterlaten is niet te bevatten.

Voordat de jongen wegloopt kijkt hij me nog eens aan. “How old are you?” vraagt hij. “The same, also 23.” Antwoord ik. “Where are you from?” Amersfoort. Een klein stadje midden in Holland. Ik omschrijf de binnenstad en het ziekenhuis waar ik werk. De jongen staart me aan en zegt: “you’re so lucky.” Meer dan ooit realiseer ik mij dat hij volledig gelijk heeft. Ik heb geluk gehad.

Tekst: Roos – www.facebook.com/zusterroos
Foto: Marjan van der Meer

Athene – Het verhaal van een vluchteling

“In het magazijn in Piraeus ontmoette ik Adbullah (18) uit Afghanistan, waar hij sliep en werkte bij het sorteren van de kleding en het schoeisel en de Grieken hielp bij de communicatie met de vluchtelingen. Hij vertelde mij zijn verhaal over zijn vlucht uit Afghanistan, een land nog steeds in oorlog en met een constante dreiging van terrorisme. Afkomstig uit een boerengezin op het platteland en enig kind werd, toen hij acht was, zijn huis verwoest en zijn vader doodgeschoten door de Taliban. Zijn moeder pleegde zelfmoord toen de Taliban haar wilde verkrachten. Adbullah kwam bij een oom terecht, die hem regelmatig sloeg en wilde dat hij ging werken en geld verdienen in plaats van naar school en studeren. Het lukte hem om naast het werken toch dagelijks stiekem naar school te gaan. Op vijftienjarige leeftijd, na het behalen van het diploma van de middelbare school, vertrok hij naar Kaboel en startte, naast diverse baantjes om geld te verdienen, een studie economie aan de universiteit.

Door de constante dreiging van zelfmoordaanslagen door de Taliban, besloot hij te vluchten naar Iran. Daar werkte hij acht maanden als kleermaker om geld te verdienen om tenslotte met behulp van smokkelaars in Turkije aan te komen. Daarna volgde een levensgevaarlijke boottocht op de Middellandse Zee van 15 km naar Chios, in een rubberboot geschikt voor 45 personen, maar volgepropt met 75 personen. Midden op zee begaf de motor het en werd hij uiteindelijk gered door de Griekse kustwacht.

Op dit moment is Abdullah al drie maanden illegaal in Griekenland. Hij laat zich niet registreren, omdat hij bang is om teruggestuurd te worden naar Afghanistan. Hij wil verder doorreizen naar Duitsland of Nederland, daar werken en zijn studie afmaken. Legaal of illegaal, zijn gedrevenheid is zo groot, dat hij zich door niets of niemand laat stoppen om zijn idealen te verwezenlijken. Uiteindelijk wil hij terug naar zijn vaderland om daar te trouwen, kinderen te krijgen en zijn land proberen te helpen een veilig Afghanistan te realiseren voor iedereen.”

Verhaal en foto: Frank Raaijmakers
Vrijwilliger Stichting Bootvluchteling | Team Athene

Samos – Ontmoetingen

Toen ze het kleine bootje zag, wilde ze niet meer. Maar een pistool tegen haar hoofd dwong haar in te stappen en met haar man en vier kinderen de overtocht te maken. Zij hebben het gered….

“Eén van de indrukwekkende verhalen van één van de prachtige mensen die ik op Samos heb ontmoet. Twee weken lang ben ik met Stichting Bootvluchteling op dit mooie Griekse eiland geweest. Ik had me aangemeld voor de medische missie. Onze belangrijkste taak deze weken was aanwezigheid op de hotspot voor medische calamiteiten. Dit bleek soms meer een veredelde drogistfunctie met uitdelen van paracetamol en Strepsils, soms het opvangen van flauwgevallen mensen (meest door emotie en stress uitgelokt). Verder wat schaafwonden en kneuzingen. Een enkele keer hebben we mensen met een ambulance naar het plaatselijke ziekenhuis laten gaan. Terwijl aan de ene kant van onze ‘keet’ een medisch spreekuur was, deelden we aan de andere kant babymelk, luiers en thee uit.

Ons ‘medisch pleintje’ werd een hangplek voor veel mensen. Vijf uur lang een plek waar ze een luisterend oor vonden en een beker thee, waar kinderen wat konden spelen en even kind zijn en waar volwassenen even hun zorgen naar de achtergrond konden dringen en met de kinderen pret hadden in touwtjespringen.

‘Heb je het gevoel dat je wat hebt kunnen bijdragen?’ vragen mensen mij. Mijn antwoord is zowel ja als nee. Ja, omdat elk gesprek, soms met handen en voeten gevoerd, mensen het gevoel gaf mens te zijn. Iemand in de ogen kijken, even een arm om iemand heen, een dankbare blik, ontmoeting. Een kopje thee aanreiken en een handen-klap-spelletje met een kind. Een schaterende lach als het mis ging… Nee, omdat ik me steeds meer bewust ben geworden van de omvang van deze ramp. Al die mensen op drift. Niet wetend waar ze heen gaan en wanneer. Al die mensen bij elkaar, gevangen gezet in een kamp sinds de EU – Turkije deal. Mensen met verschillende achtergronden die niets om handen hebben. Dan gaat het makkelijk broeien tussen verschillende volken.

Ik maak me zorgen. Wanneer gaat dit broeien over in exploderen? We waren al getuige van een vechtpartij tussen jonge mannen uit verschillende landen. Wanneer zullen er infecties uitbreken? Wat zal er worden van al die kleine baby’tjes, soms nog maar een paar weken oud?

Ik was ook onder de indruk van de hoeveelheid vrijwilligers uit allerlei landen die gewoon naar Samos zijn gegaan en zich daar hebben aangesloten bij een organisatie om iets te kunnen doen voor vluchtelingen. De verschillende organisaties werken ook samen waar nodig en mogelijk. Wij hebben elkaar geholpen met het sorteren en uitdelen van kleding. Zij hebben ons op hun beurt ondersteund tijdens onze shift als ons team wat kleiner was. We hebben de Grieken geholpen met het opruimen van de kusten waar enorme hoeveelheden zwemvesten, plastic en delen van boten lagen.

Maar wat voelde het krom en onrechtvaardig dat wij om 22 uur het kamp vrij konden uitlopen. Dat het hek achter ons op slot ging. Dat mensen zoals ik daar moesten blijven om in doelloosheid hun dagen uit te zitten. Vluchtend van een onveilig thuis en wachtend op een onzekere toekomst.”

Tekst en foto: Margreet Ruiter

Wil u ons werk ook ondersteunen? Doneer dan op IBAN-rekeningnummer: NL97 RBRB 0918 9326 37 t.a.v. Stichting Bootvluchteling
Of via de doneerbutton bovenaan de pagina.