Afgelopen maandag kwam ik in het teamhuis van Stichting Bootvluchteling wonen, waar ik al snel over het project ‘Carnaval’ in Kara Tepe te horen kreeg. Een aantal NGO’s hadden de handen in een geslagen en de krachten gebundeld. In Griekenland vieren ze namelijk ook Carnaval! En daarom organiseerden we een hele dag rondom dit kleurrijke thema, speciaal voor de kinderen.

We begonnen met een poppenkast voorstelling in het overdekte amfi theater in het kamp. Het was een prachtig gezicht om al die kindertjes met blije en verwonderde gezichtjes te zien. Daarna ging de muziek aan en werd er natuurlijk de Macarena gedanst, een echte hit! Telkens weer. Alle vrijwilligers dansten mee en het was een vrolijke boel.

Al sinds mijn komst op het eiland haal ik een meisje in een rolstoel op uit haar huis als er activiteiten zijn. De moeder en vader van dit meisje hebben óók een gehandicapte puberzoon en ik kan me voorstellen dat het voor hun heerlijk is om even adem te kunnen halen. Daarnaast geniet het meisje er zo ontzettend van. Ze kan niet ophouden met kusjes geven en knuffelen. Ook Carnaval was weer een regelrecht succes.

Er waren twee knutselactiviteiten: we hadden voor iedereen een zakje met ingrediënten om een masker te versieren (bedenk even; van dit alles moesten we er dus driehonderd hebben). De glitters vlogen rijkelijk in het rond. Ook hadden we vlaggen waarop elk kind een boodschap of zijn/haar naam kon schrijven. Daarna hebben we alle vlaggen aan elkaar geregen tot een grote slinger.

Natuurlijk kon er toen weer verder gedanst worden in de tent, of je kon meedoen met de spelletjes! Maar als je even moe was van al het spelen, knutselen en dansen kon je ook bijkomen bij het schminken. Hier was ik voornamelijk bezig om in hoog tempo prachtige snoetjes te schminken. Samen met een groepje dames creëerden we zombies, tijgers en clowns. De kinderen vonden het fantastisch!

Het was een onvergetelijke middag voor jong en oud! Ik kijk met veel plezier terug op een geslaagde middag met spel en plezier. Het was een goed voorbeeld van wat er allemaal georganiseerd kan worden als de verschillende NGO’s hun krachten bundelen en er goed samen gewerkt wordt. Ik kijk uit naar het volgende avontuur.

De zwaarste dag

Gisteren was ik maar kort in het kamp. Ik ging samen met een patiënt uit het kamp naar een oogarts in de stad. We gingen met z’n vieren: de patiënt, een vertaler, een medevrijwilliger en ik.

De patiënt was een man van eind veertig met diabetes type 1. Hij had slecht zicht en de doktoren wilden dat een specialist hier naar zou kijken. Diabetes type 1 kan namelijk ook het zicht aantasten. We liepen door het kamp naar beneden om uiteindelijk in de stad uit te komen. De man had moeite met lopen en het duurde even voor we aankwamen.

Eenmaal aangekomen was de dokter nog met een patiënt bezig. Wij konden plaats nemen in de wachtkamer. Toen we binnen waren deed de oogarts wat metingen en testjes, maar zag al snel dat dit niet goed was. Hij wilde graag in de achterkant van het oog kijken (retina) en moest met druppels de pupil verwijden. Ondertussen vertelde de arts dat diabetes zo agressief kan zijn dat mensen hun zicht en zelfs hun oog kunnen verliezen. Onze vertaler vertaalde dit en de man werd heel stil. We moesten wachten in de wachtkamer tot de druppels hun werk hadden gedaan. De man begon te huilen. Om zijn verleden, om de angst dat hij zijn zicht volledig zou kunnen kwijtraken, om alles wat er op dit moment in zijn leven gebeurde.

Het verhaal achter de verdrietige man
Hij was nu zeven maanden in Griekenland. Gevlucht uit Syrië nadat hij zonder enige reden van straat was geplukt en in de gevangenis was gegooid. Hij vertrok ’s ochtends van huis om brood te halen voor zijn gezin en belandde vervolgens zes maanden in de gevangenis. In die maanden heeft hij veel mensen zien sterven in de gevangenis. Zelf kreeg hij al die tijd dat hij vastzat geen insuline, wat ook zijn dood had kunnen betekenen. Na zes maanden werd hij zo onverwachts als hij werd opgepakt ook weer op straat gezet en besloot hij te vluchten.

Athene
We probeerden hem te troosten, daar in die wachtkamer. We probeerden duidelijk te maken dat we er alles aan probeerden te doen om hem te helpen. Proberen, want meer dan proberen kunnen we niet. Na een tijdje was hij een beetje getroost en konden we voor het tweede onderzoek naar binnen. Daar werden de angsten die hij had bevestigd. Zijn linkeroog was er heel slecht aan toe, daar had hij bijna geen zicht meer mee. Zijn rechteroog functioneerde nog goed, maar begon ook al aangetast te raken door de diabetes. De arts vertelde dat in een normale situatie deze patiënten onder strenge controle stonden en dat operaties noodzakelijk waren. Zijn advies was om hem te laten behandelen in Athene, omdat deze behandelingen niet in Samos gedaan werden.

De man, heel nederig en stil, zei niets meer. Misschien was er nu een kans dat hij naar Athene zou gaan. We spraken met de man af om de volgende dag terug te komen naar de medische cabine om te bespreken wat de volgende stap zou zijn. Zo ontzettend veel ellende achter de rug en dan krijg je nog een trap na ook. Ik vond het een zware dag, misschien wel een van de zwaarste tot nu toe.

Tekst: Harma Oosting
Foto: Bas Bakkenes
*De man op de foto is niet de persoon uit dit verhaal

Een regenachtig rondje door het kamp – boiler suits (deel 2/2)

Inmiddels zijn vele kleine tentjes vervangen door degelijke grotere tenten, maar toch doet de regen me telkens beseffen dat het nog steeds tenten zijn die mensen tegen de regen beschermen en geen vaste daken. Via het onderste gedeelte van het kamp waar vele minderjarigen en families wonen in cabins, zetten we onze missie voort en gaan we richting de extended area van het kamp. Dit is een gebied naast het kamp waar alleen tenten staan. Hoewel het degelijke tenten zijn, ontbreekt het in dit gebied van het kamp aan infrastructuur. ’s Nachts is er geen verlichting en er zijn geen stenen paden die de tenten met elkaar of met de andere gedeelten van het kamp verbinden. De tenten staan verspreid tussen de olijfbomen op de heuvel. Via modderige paadjes kunnen we de tenten van de mensen bereiken. ‘Wat goed jullie hier te zien! Ik nodig jullie graag uit om muziek te maken en koffie te drinken in mijn tent’, zegt een man tegen ons die elke dag een kopje thee bij een van onze cabins, de milkroom, komt halen tijdens onze avondshiften. Helaas moeten we zijn aanbod afslaan, omdat we nu boiler suits aan het uitdelen zijn.

Met vreugde op onze gezichten hebben we uiteindelijk al meer dan 170 boiler suits uitgedeeld. Op deze koude ochtend kunnen we de regen niet stoppen en we kunnen de tenten niet op magischer wijze in warmere onderkomens veranderen. Wat we wel kunnen doen is iedereen in de tenten een boiler suit als slaapzak geven, zodat de mensen in ieder geval droog en warm kunnen slapen en de nachten dragelijker worden. Gelukkig zijn er al 170 mensen warm ’s nachts. We zullen niet stoppen met uitdelen totdat we al onze boiler suits weggegeven hebben. Toch, ondanks dat we boiler suits uitdelen, voelt het nog steeds heel naar dat er vele mensen zijn in het kamp die in tenten slapen; voelt het nog steeds heel vervelend dat mensen het koud hebben ’s nachts; en voelt het nog steeds niet goed dat boiler suits nodig zijn om voor warme nachten te zorgen.

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Foto: Bas Bakkenes

Een regenachtig rondje door het kamp – boiler suits (deel 1/2)

Het is de afgelopen dagen koud geweest op Samos. Het is ochtend. De wekker gaat om acht uur en er staat onze vrijwilligers een drukke dag te wachten. Door het raam van het vrijwilligershuis zien we de regen naar beneden stromen. Ook vandaag regent het weer. Elke keer als het buiten regent, ben ik me er van bewust dat er in het kamp nog steeds heel veel mensen zijn die in tenten slapen. Dat voelt niet goed en het idee maakt me verdrietig. Hoewel het ons ook vandaag weer confronteert met de omstandigheden in het kamp, hebben we ook zin om naar het kamp toe te gaan. We gaan namelijk iets doen wat we nog niet eerder gedaan hebben. We mogen door het hele kamp lopen om bij de mensen in de tenten ‘aan te kloppen’, ze een goedemorgen te wensen en ze een boiler suit aan bieden. Boiler suits zijn water- en winddichte pakken en zijn heel erg warm. Normaal gesproken worden ze gedragen door mensen die werken op olieplatformen en containerschepen. Hier in het kamp dienen ze als prachtige XXXL slaapzakken voor in de koude, soms zelfs natte tenten.

Het kamp bestaat grofweg uit drie delen. In het gedeelte boven aan de heuvel staan een paar stenen shelters, er staat een grote degelijke tent waar veel mensen in kunnen slapen en daar tussenin is een netwerk van tentjes. Ergens doet het me op sommige plekken denken aan een stad met hele smalle steegjes of een medina wijk. Om sommige tenten achter de shelters te bereiken moeten we meters over glibberige planken lopen, ons vasthoudend aan de muur naast ons, met boven ons een grijs zeil tegen de regen en vlak naast ons tentje na tentje na tentje. Achter in dit tentensteegje kloppen een vrijwilliger van een andere organisatie, tevens een bewoner van het kamp, en ik aan bij een tent. ‘Goedemorgen!’ zeggen we. Er verschijnt eerst een hand, dan een voet, een stukje been, en uiteindelijk komt er een slaperig hoofd naar buiten. ‘Goedemorgen meneer. Vandaag delen we met meerdere organisaties onder andere schoenen voor mannen uit, en warme boiler suits om als slaapzak te gebruiken. Ze zijn heel warm. ’s Nachts zult u geen kou meer voelen’. In de tent zien we de bodem bedekt met een warme deken en nog een ander persoon in slaapzak. ‘Heel graag’, krijgen we als antwoord van deze slaperige man die ons nu aankijkt met een glimlach van oor tot oor.

Lees morgen deel twee!

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Foto: Bas Bakkenes

Mensheid: wat zijn de waarde en de waardigheid van een mensenleven? (Deel 2/2)

Ik heb het idee dat wanneer je in een bootje stapt en je reis voortzet naar Griekenland er een stukje menselijkheid van je af wordt genomen en je een stap verder bent van het behoren tot de mensheid. Mede hierom is het werk wat de vele handen van vele organisaties in het kamp doen zo belangrijk. We doen dit niet alleen om de situatie in het kamp dragelijk en leefbaar te maken. We doen dit ook om een boodschap naar de wereld te sturen. Konden onze handen deze wereld maar even door elkaar schudden; haar wakker maken. Konden onze monden maar tegen iedereen zeggen: hé, er zijn zoveel mensen die in een situatie wonen die zoveel menselijker zou kunnen zijn. Óók wij handelen in naam van de mensheid en elke dag zetten we ons in voor de mensen die door de boottocht tijdelijk buiten de grenzen van burgerschap zijn komen te vallen en zich bevinden in een positie waarin zij, zoals filosoof Hannah het verwoord, slechts mens zijn.

De vraag waarmee ik begonnen ben – wat zijn de waarde en de waardigheid van een mensenleven- kan ik niet beantwoorden. Wel kan ik schrijven dat ik het ontzettend belangrijk vind dat al deze handen in het kamp blijven doen wat ze aan het doen zijn. Dat we allemaal blijven doorwerken om de bewoners van het kamp te blijven erkennen als volledige mensen, behorend tot dat prachtige universele concept genaamd mensheid. Het zijn deze handen -die door hun werk het leven in het kamp zo draaglijk mogelijk maken – die de vraag beantwoorden door de waarde en waardigheid van een mensenleven proberen vorm te geven en die hard werken om ook de praktijk van het concept mensheid zo universeel mogelijk proberen te maken. Het zijn juist de kopjes thee die we geven, de boiler suits die we uitdelen, de doktoren die tijd nemen voor de zieke kampbewoners, de kinderactiviteiten die we dagelijks doen, de lessen die we verzorgen in de shelter voor minderjarigen, de gesprekken die we voeren, die allen vanuit ons als een boodschap dienen en worden uitgevoerd om het concept mensheid daadwerkelijk wat universeler te maken.

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Hannah Arend 1951 The Origins of Totalitarianism. New York: Meridian
Foto: Bas Bakkenes

Mensheid: wat is de waarde en de waardigheid van een mensenleven? (Deel 1/2)

Mensheid is een vreemd concept. Het is één van de universeel gebruikte en toegepaste concepten dat politieke, religieuze en sociale verschillen overschrijd. Het is een concept dat iedereen lijkt te kennen, maar waar niemand de betekenis van lijkt te weten. Overal ter wereld zijn er mensen die handelen in naam van de mensheid. Mensheid zou iets universeels zijn, iets waar ieder mens een deel van uit maakt. Echter, als mensheid zo een universeel concept is en er zo velen handelen in naam van de mensheid, waarom lijken sommige mensen dan toch net iets meer van de mensheid deel uit te maken dan anderen?

Nog steeds zijn er dagelijks berichten in het nieuws met foto’s van te kleine bootjes vol met mensen die proberen een oversteek naar Europa te maken; zijn er mensen die in onverhitte tenten slapen in het kamp op Samos terwijl het winter is; zijn er vele mensen met tand- en oogproblemen in het kamp die op de korte termijn nergens terecht kunnen; zijn er vele mensen die staan te popelen om verder te ontwikkelen, maar daar nu geen middelen toe hebben; en zijn er in het algemeen zovelen die in het kamp in Samos moeten wonen, omdat zij per bootje de oversteek naar Griekenland hebben gemaakt.

Filosoof Hannah Arendt (1951) zegt dat tegenwoordig, nu wij leven in een wereld die ingedeeld is in natiestaten, het concept van menselijkheid nauw samenhangt met het concept burgerschap. Vanaf het moment dat je geboren wordt, ben je vaak meteen al een burger van het land, van de natiestaat, waarin je geboren bent. Daarnaast stelt zij dat wanneer je dus alleen nog maar mens bent en geen burger meer, je in een ontzettend kwetsbare positie komt te zitten. De praktijk van het concept mensheid, lijkt toch niet zo universeel omvattend te zijn als het doet vermoeden. Elke dag opnieuw besef ik me bij het uitdelen van onze kopjes thee vanuit de milkroom, dat de situatie in het kamp waarin we ons bevinden zo ontzettend schrijnend is. Voor mij staat het kamp gelijk aan het uitvoeren en praktiseren van het concept menselijkheid. Door een vluchtelingenkamp vorm te geven, geef je in mijn mening ook boodschap over hoe je vindt dat een vluchteling moet leven na een tocht in een klein bootje richting Griekenland. Het geeft voor mij weer dat je wanneer je je als persoon tijdelijk buiten de grenzen van burgerschap vertoeft, het schijnbaar de bedoeling is om in dergelijke omstandigheden als Samos te leven. Voor mij illustreert het kamp niet alleen een setting waar je blijkbaar moet wonen als je vluchteling bent, maar ook een omgeving die vluchtelingenlevens, mogelijkheden en persoonlijke ontwikkelingen structureert. Het inrichten van zoiets als een vluchtelingenkamp staat in mijn ogen gelijk voor het maken en vormgeven van vluchtelingenlevens.

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Hannah Arend 1951 The Origins of Totalitarianism. New York: Meridian
Foto: Bas Bakkenes

Dankbrief van Farah

Na mijn aankomst op Lesbos realiseerde ik me direct wat de toegevoegde waarde is van Arabische sprekers in het psychosociale team. De vluchtelingen leven in onverdraaglijke omstandigheden en kunnen hierover niet goed communiceren vanwege taalbarrières.

De ellende die de vluchtelingen meemaken is eigenlijk niet in woorden uit te drukken. Sinds ik hier ben heb ik de meest pijnlijke verhalen te horen gekregen van vele bijzondere mensen.
Ik zag al snel hoe opgelucht ze raakten wanneer ze zonder taalbarrière hun verhaal konden doen. De kinderen hebben zo veel ellende meegemaakt en één voor één hebben ze een ingrijpend verhaal. Het ene verhaal is nog dramatischer dan het andere. Sommige kinderen spreken geen Engels en bij mij krijgen ze de mogelijkheid om hun verhaal in het Arabisch te vertellen.

Het psycho sociale support team heeft met behulp van vele geweldige vrijwilligers enorm veel bereikt. Wij geven lessen aan kinderen en volwassenen, organiseren verschillende activiteiten voor kinderen en vrouwen, en er zijn vrouwengroepen opgezet die gericht zijn op female empowerment. Ondanks dat ik het heftig vond om te zien hoe de vluchtelingen hier leven en de vele ingrijpende verhalen die ik gehoord heb, kijk ik terug op een hele leerzame periode. De pijn die de vluchtelingen moeten doorstaan is al heftig genoeg. Ik kan op z’n minst naar ze luisteren.

Het is een ervaring die ik m’n hele leven niet zal vergeten. Het is mooi om te zien hoe erg ze onze hulp waarderen. Ik ben een hele speciale levenservaring rijker geworden en ik heb ontzettend veel geleerd van het psychosociale team en de vluchtelingen waarmee ik nu werk.

Veel liefs,
Farah

Tekst: Farah
Foto: Bas Bakkenes

Het uitzichtloze wachten

Lopend door het donkere, modderige en koude Moria. Het zijn kleine paadjes tussen de tenten door met her en der een vuurtje waar wat mensen omheen zitten. Toch zitten de meeste mensen binnen. Ik zie een vrouw plassen naast haar tent, want gebruik maken van het sanitair is nog viezer. Het is mensonterend.

We stappen een grote witte tent binnen. Een groepje Pakistanen zit gezellig bij elkaar op een kleedje en we worden gelijk gevraagd om er even bij te komen zitten. Trots bieden ze ons wat eten en te drinken aan. Ze zijn alleen gekomen, maar nu hebben ze elkaar. Meer en meer mannen verzamelen zich om ons heen en er wordt hard gelachen, gegeten en gedronken. Even vergeet iedereen de ellende van kamp Moria. Als we weer gaan zegt één van de mannen; ‘Jij zat hier nu even een kwartiertje, wij zitten zo al tien maanden.’ Ik probeer me in te beelden hoe dat moet zijn. Elke avond gaan slapen en in de ochtend weer opstaan zonder een doel te hebben. Niet wetende hoe lang dit zo nog doorgaan en niet wetend óf en waar je heen zal gaan.

Een paar dagen later zit ik voor de medische cabine om mensen die de dokter willen zien te registreren. Ik zit gezellig met een vertaler te kletsen tot er een tegenstribbelende jongen door twee vrienden bij ons wordt gebracht. Hij is dronken en hij heeft zijn beide armen volledig open gesneden. Zijn shirt zit helemaal onder bloed. Zo erg moet het dus zijn. Al elf maanden in een kamp zitten en dit jezelf aan doen om de fysieke en mentale pijn te vergeten.

Een paar dagen later ga ik samen met een mede-vrijwilligster op vrouwenexcursie. Twee auto’s vol met opgedofte vrouwen rijden naar een mooi kustplaatsje. We lopen kletsend en lachend over de pier. De vrouwen zijn druk bezig met foto’s van elkaar te maken en poseren voor de rotsen. Ook ik moet lachend tegen een rots staan en poseren voor de enthousiaste fotograaf. Later zitten we met z’n allen naar de zee te staren. Een jonge vrouw (22) vertelt haar verhaal. Ze is samen met haar broer gevlucht. Hun familie en vrienden moesten ze achterlaten. Vijf maanden hebben ze samen te voet gereisd door de bergen en door de sneeuw. En nu wachten ze hier in het kamp totdat ze door mogen naar een andere bestemming. Dan gaat de Afghaanse muziek aan en ineens staan we met z’n allen oosters te dansen op de pier. Even mens zijn en en uitzichtloze wachten vergeten.

Tekst: Isabel Wagemakers
Foto: Ruben Versteegen

Stapelbedden zijn hun thuis

Vandaag delen we boilersuits en schoenen uit in het kamp op Samos. Een grote groep mensen komt hier op af en zorgt voor een lange rij voor de cabine. Velen van hen heb ik nog niet eerder gezien, maar een paar wel. Van sommigen ken ik de verhalen en hun verleden. Het zorgt voor zo’n dubbel gevoel bij mij. Aan de ene kant is het natuurlijk super dat je donaties krijgt en deze mensen kunt voorzien van kleding, schoenen, jassen en andere benodigdheden. Aan de andere kant staan er veel mensen tussen die hun leven prima op orde hadden, totdat ze moesten vluchten voor levensbedreigende situaties. Een Afghaanse politieagent, die door zijn werk niet meer veilig was. Een cartoonist, die door zijn omstreden cartoons moest vluchten. Een ingenieur die samen met zijn moeder is afgereisd naar Europa om zich te herenigen met zijn drie broers. Hij zorgt zo goed voor zijn moeder. Deze mensen staan in die rij te wachten op schoenen. Afhankelijk geworden van anderen en hun donaties.

Halverwege onze shift ruilen we van taak en ga ik mee een rondje lopen door het kamp. We gaan naar een nieuwe grote tent. Deze tent is hier recentelijk neergezet en veel nieuwe arrivals komen hier terecht. Het is een mega grote tent met allemaal stapelbedden erin. Ik zie de Algerijnse familie die ik twee dagen eerder had ontmoet met twee ontzettend schattige dochtertjes. De oudste is gisteren vijf jaar geworden. Op je verjaardag aankomen in een overvol vluchtelingenkamp, dat is toch verdrietig.

Ik mocht gisteren even bij ze kijken en ik schrok erg van de woonsituatie. Ze hadden twee stapelbedden toegewezen gekregen, deze hadden ze aan elkaar geschoven en afgeschermd met dekens, zodat het een beetje privé werd. De kleinste dochter zat op de onderste bedden, terwijl de oudste mij liet zien dat ze onder een zeil op de bovenste laag lag. En ineens kwam het bij mij binnen: dit is hun bestaan. Ze hebben zo’n onzeker vooruitzicht. Ik slaap in het vrijwilligershuis waar de kachel het niet doet en waar we gezamenlijk boven de heaters hangen en jassen dragen in huis. Ik heb deze week mijn kamer gedeeld met twee verschillende mensen op twee verschillende kamers, omdat dat nou even zo uitkwam. Het is misschien soms oncomfortabel en niet zoals mijn fijne thuis, maar ik heb het vooruitzicht om over tweeënhalve week mijn spullen weer te pakken en terug naar huis te vliegen. De stapelbedden zijn hun thuis. Voor nu en misschien nog voor een hele lange tijd.

Tekst: Harma Oosting
Foto: Bas Bakkenes

De kracht van de kleine dingen

Wij geven onze vrienden elke dag een knuffel, een korte knuffel als groet of dikke knuffel als we blij zijn elkaar weer te zien. Je kunt je alleen afvragen hoeveel effect een knuffel heeft op iemand die noodgedwongen zijn huis heeft moeten verlaten. Alles heeft moeten achter laten om op de vlucht te slaan, zonder enige zekerheid en zwervend door landen zonder eten, drinken en een dak boven je hoofd.

In Kara Tempe, een kamp op Lesbos, hebben Stichting Bootvluchteling en Maritime Rescue Federation een steungroep opgericht voor vrouwen. Deze steungroep heeft als doelstelling om een veiliger omgeving te creëren voor vrouwen, en wordt erop aangestuurd om de vrouwen in deze groep een gevoel van kracht te geven. Op dit moment zijn er alleen mogelijkheden voor vrouwen die Farsi spreken, door het gebrek aan geschikte vertalers voor andere talen en culturen. De afgelopen weken hebben steeds meer Afghaanse vrouwen zich aangesloten bij de groep en is het uitgegroeid tot een intieme ondersteunende kring vluchtelingen, die hun verhalen delen en psychologische houvast bij elkaar kunnen vinden.

Bij één van deze sessies zijn wij begonnen met een kleine ijsbreker, wellicht een beetje simpel en kinderachtig, maar een goede manier om elkaar beter te leren kennen en een ontspannen sfeer te creëren. Elke vrouw moest een andere vrouw een dikke knuffel geven, voor ongeveer twintig seconden. Op de achtergrond lieten wij een zachte en ontspannende muziek draaien wat leek op het geluid van een hartslag. Twee vrouwen stonden op en keken elkaar even aan voordat zij elkaar een lange en intense knuffel gaven. De andere vrouwen in de groep waren zichtbaar geraakt en stonden voorzichtig op om het voorbeeld te volgen en elkaar ook een knuffel te geven. Een paar vrouwen begonnen te huilen, maar andere keken dankbaar naar ons en glimlachten terwijl ze ‘tashakor’ fluisterden. Het woord voor ‘dankjewel’ in het Farsi.

Na alle inhumane en verschrikkelijke ervaringen die deze vrouwen hebben moeten doorstaan, is het erg dankbaar en belonend werk om met een klein gebaar iets terug te kunnen doen en iets voor deze vrouwen te kunnen betekenen. Als vrijwilliger ben je niet bij macht om de vluchtelingen de mogelijkheid te bieden om verder te reizen naar Europa, noch zekerheid te bieden voor de toekomst. Ondanks alle verschillende culturen kan je meegeven dat ieder persoon gelijk is aan een ander. En dat het geven van liefde en een gevoel van veiligheid de basisbehoeftes zijn voor een mens.

Onze dankbaarheid willen wij uitspreken naar Juul van de Geijn en Mariana Branco voor het opzetten en mogelijk maken van deze steungroep!

Tekst: Jeanne Lenders
Foto: Stockfoto