Noodoproep | Stichting Bootvluchteling slaat alarm

NOODOPROEP | Stichting Bootvluchteling slaat alarm over zelfverminking en suïcidepogingen op Lesbos

Bijna dagelijks zien artsen van Stichting Bootvluchteling op het Griekse Lesbos ernstige gevallen van zelfverminking. Sommige asielzoekers en migranten wachten al zo lang op een asielprocedure, dat ze geen toekomst meer voor zichzelf zien. Stichting Bootvluchteling slaat alarm. ‘Het is wachten op de eerste suïcidepogingen,’ zegt medische coördinator Anja Holwerda vanuit Lesbos. Brandpunt zendt dinsdagavond 28 maart een reportage uit waarin artsen en vluchtelingen in het kamp worden gevolgd. Bekijk hier de uitzending.

Automutilatie
Veel mensen in het opvangkamp Moria zijn in hun wanhoop overgegaan op automutilatie. Mensen hebben snijwonden over hun armen en borst. Het is wachten op de eerste suïcide. De onzekerheid, de uitzichtloosheid en de hieruit voortvloeiende frustraties leiden regelmatig tot gevechten in de kampen. ‘De oplossingen liggen niet bij ons. Wij doen wat we kunnen, maar we zitten met onze handen in het haar,’ zegt Holwerda.

Duizenden vluchtelingen vast in Griekenland
Vluchtelingenkamp Moria op Lesbos zit overvol. Zo’n 3500 mensen verblijven in een kamp dat geschikt is voor 700 mensen. Hierdoor zijn vluchtelingen genoodzaakt te slapen in kleine koepeltentjes in plaats van officiële tenten van de UNHCR. Er is veel kritiek op de manier waarop de Griekse autoriteiten de vluchtelingen opvangen. Begin dit jaar gingen beelden de hele wereld over van tentjes onder een dikke laag sneeuw. De tenten worden nu vervangen door cabines. Nog altijd zijn er geen faciliteiten in het kamp. Mensen kunnen niet zelfstandig koken of wassen. Holwerda: ‘de menselijke ziel is hier geknakt.’

Zorgsysteem ingezakt
Een functionerend zorgsysteem op Samos en Lesbos ontbreekt. Dit geldt zowel voor de Grieken als voor de vluchtelingen. Ziekenhuizen en artsen kunnen de werkdruk niet meer aan. Wachttijden voor een behandeling in een ziekenhuis kunnen oplopen tot een aantal maanden. Een twintigtal Nederlandse artsen van Stichting Bootvluchteling doen dagelijks medische controles in de vluchtelingenkampen op Samos en Lesbos. ‘We staan de ernstige gevallen zo goed mogelijk bij. We bieden ze een luisterend oor aan en bieden psychische hulp met ons PSS team in de vorm van ontspanningstherapie.
Maar de oorzaken haal je hier niet mee weg. Er is eigenlijk niet tegenop te werken,’ licht Holwerda toe.

Over Stichting Bootvluchteling
Stichting Bootvluchteling werkt op Lesbos en Samos. De stichting biedt medische en psychische hulp aan vluchtelingen op de Griekse eilanden. Onze organisatie werkt voornamelijk met vrijwilligers. Slechts een beperkt aantal NGO’s die werken op Lesbos, waaronder Stichting Bootvluchteling, hebben toegang tot de vluchtelingenkampen.

Hulp is hard nodig! Help jij mee?
Doneer via: NL97 RBRB 0918 9326 37 t.a.v. Stichting Bootvluchteling of de doneerknop op de website.

Lees meer over de uitzending van Brandpunt of kijk de aflevering terug!

Praten over paniekaanvallen

Het is stil, de Arabische mannen kijken me afwachtend aan. Ik ben de enige vrouw in de ruimte. Met een paar zoekende woordjes, ondersteund door handen en voeten hebben we de algemeenheden al uitgewisseld. Ze hebben gelachen bij de onmogelijke taak van het uitspreken van mijn naam. Het gaat goed vandaag met iedereen en het regent buiten. We zijn nog even aan het wachten op de vertaler voordat we kunnen beginnen.

Vandaag geef ik samen de coördinator van het psychosociale team van Stichting Bootvluchteling een presentatie over paniekaanvallen. Nu ik hier zit moet ik even slikken, als jonge vrouw te midden van al deze nors kijkende mannen met baarden, met de opdracht om informatie te geven over een van de meest veelvoorkomende psychologische problemen in de vluchtelingenkampen. Bij het bespreken van de symptomen van paniek, komen voorzichtig de eerste reacties los. Een dunne man vertelt, met zijn gezicht naar beneden, gericht over de problemen met ademhalen die hij vaak ervaart. Het gejaagde gevoel van constant achtervolgd te worden op straat en het gevoel te stikken. De klachten zijn begonnen nadat de Taliban zijn dorp aanviel en een deel van zijn familie doodde. Een andere man vraagt zich af hoe hij zijn vrouw kan helpen, die niemand om zich heen verdraagt als ze het gevoel heeft een hartaanval te krijgen. Hij begrijpt nu dat het waarschijnlijk paniek betreft. We bespreken een paar handvaten die kunnen helpen bij het zelf ervaren van een paniekaanval of het zien van een ander die een paniekaanval ervaart.

Dan begint de dapperste van de groep te praten, een man met een grote rode muts op. Hij is heel dankbaar voor de informatie die we hem geven. Hij vraagt ons of deze informatie niet gericht is op mensen die een huis hebben, op een veilige plek wonen en in hun waarde worden gelaten. Een plek waar mensen normale en verzorgde kleding kunnen dragen. Is de beste oplossing niet gewoon om de mannen uit de situatie te halen, zou dat niet alle andere problemen weghalen? Hij zet zijn rode muts af en ik zie grote kale plekken op zijn hoofd van het krabben. Het is even stil. Ik voel het grote verdriet, de hopeloosheid en boosheid in de kamer hangen.

Dan gaan we met elkaar op zoek naar manieren om de regels toe te passen in de kampen. We kunnen de situatie niet veranderen, maar misschien wel adviezen geven hoe ermee om te gaan. Afsluitend doen we een relaxatie-oefening. Als ik tussen mijn oogleden door gluur zie ik boven de baarden twintig paar gesloten ogen met diepe concentratiefronsen, zich uit alle macht richtend op de buikademhaling. We hebben verteld dat het kan helpen en dat relaxatie niet alleen op momenten van paniek, maar ook daarbuiten het lijf tot rust brengt. Een goede tegenhanger voor de constante spanning die in het kamp aanwezig is. Het is bijzonder om de interesse bij deze mannen te zien. En om een sprankje hoop te zien ontstaan. Het lijkt de mannen gerust te stellen dat anderen dit ook hebben en dat het niet raar of zwak is. Ze merken dat erover praten helpt.

Als ik de volgende dag door Kara Tepe loop komt er iemand naar me toe gelopen. Ik herken de rode muts en hij vertelt me dat hij de relaxatie geoefend heeft, vanmorgen in alle vroegte. Zijn ogen glinsteren en hij belooft me dat hij het morgen weer zal doen. Ik hoop met heel mijn hart dat dit stand houdt en dat de mannen zich zo wat gesteund voelen, al is het maar een klein beetje. Hopelijk is hiermee een begin gemaakt. En kan de stichting in de toekomst zo het gesprek openen over meerdere veelvoorkomende psychologische problematiek. Want wat is dat nodig.

Tekst: Cathelijn Tjaden
Foto: Henk van Lambalgen

We hebben een wind van verandering nodig

Rozemijn schreef een blog over het leven in het vluchtelingenkamp op Samos. Vandaag, precies een jaar na de Turkije deal, is er nog niks veranderd en is de situatie nog steeds uitzichtloos.

Het leven is als de wind. Het komt, het gaat en net als de wind is het niet loyaal. Het gaat voorbij en voor je het weet gaat het aan je voorbij’, zeggen twee Iraanse dichters tegen mij, terwijl we met ons drieën staan te snotteren buiten in de medische area van de hotspot. De beste mannen zitten inmiddels al weer vijf maanden in de hotspot op Samos. Vijf maanden, omdat zij ooit hun eigen land hebben moeten ontvluchten door de woorden die zij met hun pennen hebben geschreven.

Ik denk terug aan het nieuws van de afgelopen week. ‘We komen ze halen!’ Is er nu ook geroepen in Brussel, nadat het Nederlandse demonstratie-initiatief zich heeft verspreid naar andere landen. Nederland heeft ooit beloofd om vóór eind 2017, 3797 vluchtelingen op te nemen als een gevolg van de toenemende migratiestroom in de grenslanden van Europa. Sinds februari 2016 zijn de eerste hotspots geopend in Europa. Een hotspot is een officieel vluchtelingenkamp aan de grenzen van Europa, waar vluchtelingen geïdentificeerd en geregistreerd worden. En vanuit waar ze oorspronkelijk – vóór het EU-Turkije akkoord is gesloten – zouden worden herverdeeld over Europa. Hotspots zouden het gemakkelijk moeten maken voor Nederland om de 3797 vluchtelingen te vinden die wij een verblijf beloofd hebben. Toch moeten we ze blijkbaar vanuit Den Haag en Brussel komen halen.

Er was een tijd, vóór het EU-Turkije akkoord is gesloten op 18 maart 2016, dat de hotspot op Samos een transitkamp was waar de meeste mensen, afhankelijk van hun vluchtredenen en hun kans op asiel, slechts enkele dagen verbleven waarna zij door konden reizen naar andere plekken. Het EU-Turkije akkoord is ooit in het leven geroepen om de migratiestroom naar Europa te ontmoedigen. Ja, het vijfde rapport van de Europese Commissie stelt inderdaad dat er minder vluchtelingen zijn die de tocht naar Griekenland maken en dat er minder mensen verdrinken op zee. Toch is er echter volgens de Europese commissie een groter aantal vluchtelingen dat Griekenland bereikt, dan die er volgens het akkoord weer terug gestuurd kunnen worden naar Turkije. En voor deze vluchtelingen in Griekenland wordt het leven na aankomst in de hotspots op stop gezet. Nadat de deal is gemaakt, is er veel veranderd in de hotspot op Samos. Wanneer mensen in een bootje naar Griekenland zijn gestapt en vervolgens geen familieleden in Europa hebben waarmee zij herenigd kunnen worden, heeft dit als gevolg dat zij vastzitten in de hotspots. In het beste geval kunnen zij slechts in Griekenland asiel aanvragen.

Na het sluiten van het akkoord zijn de transitfunctie van het kamp op Samos en de herverdeling van vluchtelingen over Europa gestopt. De oorspronkelijke herverdelingsfunctie van de hotspot staat op stil. Met als gevolg dat deze mensen vast zitten op dit eiland. Velen van hen al maanden. In een kamp dat slechts voor een paar dagen – hoogstens weken – was bedoeld, waarbij hun levens op pauze worden gezet. Hoewel het leven als de wind is, laten we het aan de mensen op Samos voorbij waaien. Elke dag hopen we voor eenieder in het kamp dat de richting van de wind gaat veranderen. Dat er een wind van verandering voorbij waait die mensen meeneemt naar een nieuw leven, een andere plek. Een leven waarin je weer vooruit kan gaan. Want het leven is niet loyaal, zoals de wind, en voor je het weet, waait het aan je voorbij. Dus ja, kom ze maar halen hier op Samos en neem ze op de wind mee naar Nederland.

Tekst: Rozemijn Aalpoel

Vertalers in Moria (deel 3/3)

Ik was onder de indruk van de toewijding en het enthousiasme van de tolken. Gedurende de weken die volgden hadden we tussen het zien van de patiënten door regelmatig gesprekken. Ze vertelden me over het leven in het kamp, hoe hun leven in hun thuisland was geweest en waarop ze hoopten voor de toekomst. Tijdens het avondeten hadden we interessante discussies over verschillende culturen. Waheed vertelde me hoe wanhopig graag hij zijn studie wilde vervolgen, nadat hij zijn studie Mechanical Engineering in Syrië had afgerond werd zijn master opleiding in Nuclear Engineering onderbroken door de oorlog en moest hij het land verlaten. Steve wilde graag weer aan de slag als personal trainer zodra hij zich ergens permanent zou kunnen vestigen. Ben hoopte psycholoog te worden om mensen te helpen bij het verwerken van moeilijke situaties. Harry, die zijn ouders en drie broers achter had gelaten in Algerije nadat hij zijn studie biochemie had afgerond, lachte en zei dat hij blij was met alles wat hij kon doen als hij maar weg kon uit Moria.

Toen ik Steve vroeg hoe de winter in Moria was geweest, schudde hij zijn hoofd: ‘Het leek alsof er hier geen mensenrechten bestonden. Als in Europa een kind buiten slaapt in een winterse nacht wordt dat niet toegelaten. Hier slapen vrouwen en kinderen in een tent in de kou zonder heet water en niemand vertrekt een spier.’

De periode dat ik in kamp Moria aan het werk was raakte ik enorm geïnspireerd door de houding van de tolken; levend in een situatie dat elk mens zwaar zou vinden om mee om te gaan, bleven zij positief, werkten ze hard en richtten zij zich op hun doel om Moria te verlaten en naar Athene te gaan. Ik vroeg hen of er iets was dat ze wilden dat de mensen in Europa zouden weten. Steve zei: ‘Mensen sluiten hun ogen en willen het niet zien. Maar ze moeten zich indenken hoe deze situatie is en beseffen hoe zwaar het is. We zijn allemaal mensen. We zijn allemaal van vlees en bloed. Het enige verschil tussen ons zijn de landsgrenzen.’

Het was een fantastische ervaring om met de tolken van Moria samen te werken; maar ik bleef achter met plaatsvervangende woede. Het zijn allemaal slimme en intelligente jonge mannen, met een enorme drive en enthousiasme voor het werk dat ze doen en ze zitten maanden klem in een vluchtelingenkamp. Ik wil niet alleen dat ze het kamp kunnen verlaten voor hun eigen bestwil, maar ook omdat het land waar ze terecht zouden komen blij mag zijn met mensen zoals zij. Mensen die daar wonen en werken, omdat zij beslist een positieve impact zullen hebben op de samenleving waarin ze uiteindelijk zullen leven.

Matt legde uit dat hij niet over zijn achtergrond kon praten, als hij dat deed zou hij last krijgen van flashbacks. Toen ik hem vroeg wat hij in de toekomst graag zou doen, glimlachte hij en zei; ‘Dit wil ik blijven doen; mensen helpen met communiceren. Hopelijk kan ik iets doen wat een bijdrage levert aan wereldvrede.’

Tekst: Jessica Agbamu
*Vanwege de privacy van de vluchtelingen zijn de namen veranderd.
Foto: Bas Bakkenes

Vertalers van Moria (deel 2/3)

Mijn eerste avonddienst was de dag erop; de eerste paar uur waren rustig met af en toe een patiënt die binnenstapte voor een pijnstiller. Het medische team en de tolken zaten samen in één van de behandelkamers, kletsend en een spelletje kaart spelend om de tijd te doden. De tolken werkten van 16.00 uur tot 2.00 uur en omdat onze ploeg uit alleen vrouwen bestond, begeleidden zij ons naar de toiletten voordat ze naar bed gingen.

Op de weg terug brak er geschreeuw uit vanuit een groepje tenten. Steve keek gealarmeerd en rende richting de commotie: hij woonde daar met zijn broer en hij was bang dat die betrokken was bij een ruzie. Hij dook even later weer op en zag er opgelucht uit, zijn broer was veilig.

Enkele momenten later wankelde er echter een man uit een tent, struikelend richting de uitgang van het kamp, het duurde een paar seconden in het maanlicht om te beseffen dat hij onder het bloed zat.

We reageerden snel. Het medische team ging terug naar de cabines om de crash koffers gereed te maken, gevuld met meest noodzakelijke medische materialen, terwijl ondertussen de tolken de gewonde man terug vonden. Ze brachten hem binnen en legden hem op de behandelbank; zijn linker neusvleugel bleek in tweeën gescheurd, hij had één steekwond onder zijn ribben en vijf op zijn rug. We gingen aan de slag. Nadat we hadden gezorgd dat de ambulance werd gebeld, controleerden we zijn ademhaling en circulatie; we hadden echter geen zuurstof voor handen voor zijn lage zuurstofgehalte en we hadden slechts twee zakken vocht om te helpen bij zijn lage bloeddruk.

De tolken waren fantastisch; Ben rende om een ambulance te bellen, Steve praatte met de patiënt in Farsi om hem te kalmeren en de anamnese af te nemen, terwijl Waheed in de infuuszak kneep, die we beschikbaar hadden. Na twintig lange minuten arriveerde de ambulance en werd de patiënt meegenomen naar het ziekenhuis. Steve ging met hem mee. Hij kende de man en wilde hem niet alleen laten. Terwijl het medische team nog stond bij te komen van de onverwachte noodsituatie, gingen Waheed en Ben aan de slag en verwijderde de flinke hoeveelheid bloed van de behandeltafel en dweilden de vloer. Hun dienst eindigde om 2.00 uur, maar ze bleven veel langer en klaagden geen seconde.

Tekst: Jessica Agbamu
*Vanwege de privacy van de vluchtelingen zijn de namen veranderd.
Foto: Bas Bakkenes

Vertalers van Moria (deel 1/3)

In februari 2017 arriveerde ik op het eiland Lesbos om te starten met medisch vrijwilligerswerk voor stichting Bootvluchteling. Op mijn eerste avond werd ik warm welkom geheten door de andere vrijwilligers en de volgende dag begon ik aan mijn eerste dienst. Ik was wat bevreesd, niet wetende wat ik kon verwachten.

Samen met de rest van het medische team (nog een arts, een verpleegkundige en een crowd controller) baanden we ons in kamp Moria een weg richting onze kliniek (een portacabin met daarin twee behandelruimtes). Na een korte rondleiding en een uitleg over het proces van het zien van patiënten doken ineens de tolken op (zij zijn vluchtelingen die leven in het kamp en worden ingehuurd door stichting Bootvluchteling); Ben*, een Syrische vluchteling van 21 die 11 maanden in Moria woonde en Steve*, een 26 jaar oude vluchteling uit Afghanistan. Allebei schudden ze mij de hand en verwelkomden mij bij het team en begonnen te babbelen met de rest van de vrijwilligers.

Ik zag mijn eerste patiënten en hoewel ik eerst nerveus was en onzeker over wat voor soort klachten er door de deur zouden komen wandelen, bleken de zorgbehoeftes van de POC’s (person of concern, patiënt) veelal goed beheersbare zaken te zijn: hoesten, verkoudheden, uitslag, hoofd- en buikpijn. Terwijl de patiënten uit diverse landen binnen kwamen ontmoette ik de andere tolken; Matt* een vrolijke 21-jarige uit Afghanistan, Waheed*, een vriendelijke Syriër van 21 en Harry*, 28 jaar oud en afkomstig uit Algerije die zowel Frans als Arabisch sprak. De tolken begroetten de patiënten hartelijk en stelden hen onmiddellijk op hun gemak en wezen mij gedurende mijn eerste dienst behulpzaam waar de diverse medicatie en materialen te vinden waren terwijl ik mezelf wegwijs probeerde te maken in de behandelruimte.

Het werken met deze tolken was compleet anders dan de ervaring die ik had met tolken in Groot Brittannië. In Engeland houdt het werken met tolken gewoonlijk in dat ik gebruik maak van een telefoon met twee hoorns terwijl een saai klinkende persoon aan de andere kant van de lijn het verhaal vertaalt. Af en toe stapt een tolk de afdeling op, urenbriefje in de hand geklemd, en zit in ongemakkelijke stilte en spreekt alleen als de consultant binnen komt zodat ze hun briefje kunnen laten tekenen en zo snel mogelijk kunnen vertrekken. De tolken van Moria bleken compleet anders; vanaf het moment dat een patiënt binnenstapte creëerden ze een band met hen, stelden geïnteresseerd vragen en gaven gepaste reacties en terwijl ik notities maakte en medicijnen verpakte, praatten ze met elkaar.

Tekst: Jessica Agbamu
*Vanwege de privacy van de vluchtelingen zijn de namen veranderd.
Foto: Bas Bakkenes

Een kamp vol contrasten

Contrasterend en bizar Moria, met je duizenden mensen. Wat een verwarrende achtbaan geef je mij, als je nieuwe dokter. Laten we beginnen met een voor de hand liggend voorbeeld: Lesbos is een prachtig eiland. De mensen zijn vriendelijk, de zee is prachtig en de dagen zijn helder en zonnig. Tegelijkertijd is de zee dezelfde zee waarop zoveel vluchtelingen nog dagelijks hun leven wagen. De heldere dagen zorgen voor ijskoude nachten. En de vraag is of de vriendelijkheid voor iedereen is weggelegd.

Maar toch, met een zonnetje op je hoofd, een drankje na het werk en gezellig hamburgers eten in het vrijwilligershuis, voelen sommige momenten net als vakantie. Als je geen dienst hebt kun je het eiland verkennen of naar de hot springs. Een plek waar de vluchtelingen even heel ver weg zijn. Letterlijk en figuurlijk, want vluchtelingen zijn in de hot springs niet toegestaan. Of je kunt gaan shoppen. Met name de tasjes gemaakt van reddingsvesten zijn een grote hit onder toeristen. Met een mooie ‘safe passage’ stempel voor degene die misschien last zou krijgen van gewetenswroeging. Het geld komt ten goede aan de vluchtelingen, maar toch…

Ook in kamp Moria zijn veel contrasten. Elke keer als je met je ogen knippert zie je wel weer een nieuw contrast. Een vrolijke volleybalwedstrijd die plaatsvindt, naast de gigantische rij mensen voor het avondeten. De meeste pechhebbers staan in de voedselrij en mogen zich verheugen op wederom een avond rijst met bonen. Terwijl de wat fortuinlijkere vluchtelingen buiten het kamp falafel of gebakken kip halen, in een paar zelf geknutselde restaurantjes van wat slimme Grieken.

Van onze lange rij patiënten gaat een groot deel tevreden weg met een paracetamol en een keelsnoepje (voor velen zijn de woorden ‘papers’ en ‘strepsils’ de eerste kennismaking met Engelse taal), maar dan zet een dame die tijdens haar vlucht verkracht is door haar smokkelaars je meteen weer met beide benen op de grond. Of neem de vertalers die dag en nacht met ons werken, ontzettend betrokken zijn, kaartspelletjes spelen en elke nieuwe shift geïnteresseerd vragen of je een fijne dag hebt gehad. Stuk voor stuk slimme jongens, niet ouder dan 25, die zichzelf in het kamp naast hun moedertaal alweer heel wat nieuwe talen hebben eigen gemaakt en zelfs een aardig woordje medisch Engels spreken. Het type jongen dat ’s nachts na een lange shift nog even een rondje maakt door het kamp om te controleren of alles rustig is en ze ons veilig achterlaten. Je zou bijna vergeten dat deze jongens ook kampbewoners zijn. Wij mogen op een stretcher slapen, terwijl zij zich terugtrekken in hun tentje. Jongens die gevlucht zijn vanwege de oorlog in Syrië of de Taliban in Afghanistan. Het is pijnlijk om te weten dat ze diep van binnen overwegen om terug te gaan, want daar ga je maar één keer dood en in Moria sterf je elke dag opnieuw.

Contrasterend, bizar Moria, met je moedige mensen, die ondanks hun ontberingen nooit vergeten nog even een ‘thank you doctor’ te fluisteren. Ik hoop dat we een klein verschil voor je kunnen maken. Een paracetamol hier en een pleistertje daar, het lijkt misschien niet veel. Maar weet dat je, los van je afkomst, achtergrond of trauma, bij ons altijd even welkom bent.

Tekst: Stephanie van Straaten
Foto: Bas Bakkenes

Vliegeren op Lesbos

Vandaag haal ik samen met een andere vrijwilliger een gezin op uit een opvanglocatie. We nemen ze een paar uurtjes mee voor een uitje. Het is een mooie dag. Vader, moeder, oma en vier kinderen wachten ons al op. We rijden naar het oude Romeinse aquaduct om daar te gaan picknicken. Onderweg maak ik me een beetje zorgen, zouden de kinderen dat wel leuk vinden, of vinden ze het misschien saai? Maar als we buiten het dorp Moria komen en het aquaduct in zicht krijgen hoor ik vanaf de achterbank: ‘Wow…. Amazing!’. Dat zit wel goed!

We hebben een picknickkleed mee en zitten tussen de olijfbomen bij een heel klein riviertje. We luisteren naar de geluiden om ons heen. Vader vertelt dat hij zo geniet van het geluid van het riviertje. Hij heeft dit al heel lang niet meer gehoord. Moeder, oma en de meisjes plukken bloemetjes. Ze vinden zelfs de kleinste bloemetjes. Van madeliefjes maken we kransen voor in het haar. We kijken bij de kippen en zoeken een haan. We blazen bellen. De zoon maakt bootjes en laat ze door het riviertje varen. Ik zie een gezin dat intens geniet.

Vader vertelt over de keuzes die ze hebben moeten maken. Keuzes die ik hoop nooit te hoeven maken, die niemand ooit zou moeten hoeven maken. Het komt echt binnen bij mij. Juist omdat het contrast met deze mooie dag zo groot is. Hij vertelt dat hij het zo erg vindt dat zijn kinderen al een jaar niet meer naar school gaan. Ik zie de kinderen genieten van dingen die eigenlijk normaal zouden moeten zijn voor ieder kind. Maar hier is alles anders…

Mijn collega heeft een vlieger meegenomen. De kinderen hebben nog nooit gevliegerd. We proberen het samen. Vanuit een ooghoek zie ik vader en moeder praten op het picknickkleed. Even een momentje samen, een momentje zonder zorg. Het is even oefenen met de vlieger, maar het lukt. Hij gaat hoger en hoger en de reacties van de kinderen weerkaatsen in het dal. Het lijkt iets heel kleins, maar is tegelijk onbetaalbaar. Voor mij staat de vlieger voor vrijheid. De vrijheid die ik heb, maar die anderen niet hebben. De tegenstellingen zijn heel groot. Ik ben blij dat ik dit heb mogen doen. Ik hoop dat ik een klein beetje lucht heb kunnen brengen in een hele moeilijke situatie. Als ik de rode wangen op de achterbank zie en de glimlach van oma dan denk ik dat het gelukt is.

Tekst: Manon Mol
Foto: Manon Mol

De kracht van vriendelijkheid

Terwijl de door President Trump voorgestelde vluchtelingen reisblokkade zijn weg vindt door het gerechtelijke systeem, pleit ik voor welwillendheid en tolerantie, in plaats van voor angst. Ik ben onlangs teruggekeerd van het werken in de vluchtelingenkampen op het Griekse eiland Lesbos. Ik was daar vrijwilliger bij Stichting Bootvluchteling, een Nederlandse NGO. De meerderheid van mijn tijd heb ik doorgebracht in het beruchte vluchtelingenkamp Moria.

Het kamp is onbeschrijfelijk en is een surrealistische mix van een gevangeniskamp en een provisorisch kampgemeenschap van krakers. Gevestigd op een voormalige leger compound is het herkenbaar aan de stalen poorten, hoge hekken en prikkeldraad aan de buitenkant en een amorfe zee van dekzeilen en tenten aan de binnenkant. Een paar dagen voordat ik aankwam was het enorm koud geworden. Meer dan dertig centimeter sneeuw werd gevolgd door ijskoude regen. De kou en vocht drongen door tot je botten. Rijen voor het eten, ontoereikende onhygiënische toiletvoorzieningen en alomtegenwoordige vuilnis was de norm.

Er zijn meer dan 4.500 vluchtelingen. Ze waren gereisd vanuit Syrië, Irak, Iran, Afghanistan en Pakistan in het Midden-Oosten. Ze kwamen vanaf het Afrikaanse contitent met gezinnen uit de Democratische Republiek Congo (DRC), Ghana, Oeganda, Somalië, Eritrea en Soedan. Daarbij behandelde ik ook nog gezinnen van zo ver oostelijk als Bangladesh en zo ver westelijk als Haïti en de Dominicaanse Republiek.

Vrijwel allemaal hadden ze traumatische ervaringen achter de rug. Sommigen geslagen, beschoten, gemarteld of verkracht en allemaal hadden ze de stress ervaren van het leven in onleefbare omstandigheden. De klachten waren een mix van fysieke, mentale en spirituele problemen. En toch was er tastbare hoop dat op een dag de dingen beter zouden worden, met de hoop op een betere toekomst. Dagelijks benoemden ze hun dankbaarheid dat iemand wilde luisteren als ze het verhaal van hun reis vertelden, hen bevestigde in hun waarde, hun worsteling erkende en hun menselijkheid vierde. Je kon het zien in hun ogen en in hun lach, dat ieder van hen een beter leven zocht voor henzelf en hun kinderen. Ik zag geen terroristen. Ik zag alleen gezinnen, kinderen, mannen en vrouwen – allemaal kwetsbaar en lijdend. Dus laten we onthouden dat onze vriendelijkheid ons veiliger zal maken dan welke reisblokkade dan ook.

Tekst: Charles Oberg
Foto: Bas Bakkenes

Tandarts

Elke dag komt er een jonge man naar onze medische cabine, terwijl hij met zijn handen zijn kaken vasthoudt en huiverend wacht totdat wij de deur openen. Hij kan nauwelijks nog eten, omdat hij zoveel pijn heeft aan zijn tanden. Elke dag vragen we hem om zijn mond te openen, zodat we zijn rottende tanden kunnen besprenkelen met een spray om ze tijdelijk te verdoven, zodat hij tenminste hapjes avondeten naar binnen kan werken. Is het niet verschrikkelijk dat een man alleen kan eten, als we zijn mond tijdelijk van alle sensaties hebben ontdaan?

“Elke patiënt die we zien, heeft wel een probleem met zijn of haar tanden”, zegt één van de dokters op Samos. In onze medische cabine geven we advies over hoe de kampbewoners het beste om kunnen gaan met hun tandproblemen. Dit is echter slechts een middel om zo goed mogelijk met de pijn om te gaan. Helaas zijn we niet in staat om de oorzaken van de tandproblemen aan te pakken, of om de tanden te behandelen. In de toekomst breiden we ons advies wellicht uit naar informerende posters of informerende video’s buiten de cabine. Ook dit is echter geen oplossing voor het probleem.

Gelukkig hebben we samen met andere organisaties in het kamp het eindelijk voor elkaar gekregen om een tandartsen organisatie, Dentaid, hier naar toe te halen. We hebben een lijst opgesteld van patiënten met tandproblemen die allen naar hen zullen gaan voor een controle en een behandeling. De lijst bevat momenteel al meer dan zestig personen en wij zijn niet de enige organisatie die een lijst met tandpatiënten hebben gemaakt. Dentaid komt aankomende maandag en zal een week op het eiland verblijven. We kunnen alleen maar hopen dat hierna ook andere actoren in het kamp overtuigd zullen raken van de noodzaak van het hebben van een tandarts hier.

We weten zeker dat de persoon waarvan zijn tanden elke dag verdoofd moeten worden, zal worden behandeld volgende week. We zijn als organisatie erg blij om deze tandartsen te verwelkomen in het kamp: het werk dat zij zullen verrichten is meer dan nodig.

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Foto: Bas Bakkenes
* De persoon op de foto is niet de man uit het verhaal