Een doordeweekse dag in het kamp op Samos

Het leven in het vluchtelingenkamp op Samos ziet er elke dag weer totaal verschillend uit. Het team van Stichting Bootvluchteling komt dagelijks met allerlei mensen en situaties in contact. Anne Frieling neemt je in deze blog mee in een doordeweekse dag op Samos.

Een jonge baby in het kamp
Een vader en moeder uit Congo en hun twee maanden oude baby zijn vandaag aangekomen in het vluchtelingenkamp. De vader is erg ongerust om zijn dochtertje. Gelukkig ziet de baby er tevreden en goed doorvoed uit, wat ook bleek na het wegen. Ik loop met het gezin naar de medische cabine om een infant paspoort te maken na het wegen en meten. Ik vraag de moeder hoe het met haar en de baby gaat. Ze zijn Franstalig, wat best lastig is voor hen. Niet veel mensen in het kamp spreken Frans, waardoor het lastig is om contact te maken met anderen. Bij alle hulpverlenende organisaties wordt Engels als voertaal gebruikt. Gelukkig beheers ik de Franse taal voldoende om een gesprek met ze te kunnen voeren.

De vader maakt zich enorme zorgen om de gezondheid van zijn kind in dit kamp. Hij vraagt naar Dettol om daarmee de kleren van de baby te kunnen ontsmetten. Hij is bang voor infecties. Ik leg hem uit dat hij een kerngezonde baby heeft, die bovendien borstvoeding krijgt waardoor zij extra goed is beschermd tegen infecties. Het lijkt de ouders wat gerust te stellen. Het is natuurlijk ook niet niks om met je jonge baby in een vluchtelingenkamp te verblijven.

Na een poosje komt vader weer bij mij. Hij zegt dat hij mij nodig heeft voor een probleem. Zijn hoofd zit zo vol. Hij heeft écht een medicament nodig. Of ik iets kan regelen. Ik vertel hem dat ik jeugdverpleegkundige ben en dat hij moet wachten bij de cabine van de arts. Maar telkens komt hij met zijn ongeruste smekende blik vragen of ik écht geen medicijnen kan geven. Ook voor zijn broer, want die heeft ook te veel onrust in zijn hoofd. Nadat hij een paar keer bij mij is geweest kiest hij eieren voor zijn geld en stappen de Afrikaanse broers in de rij voor de dokter. Af en toe een bedrukte blik naar mij werpend.

Kleuren in een nieuwe omgeving
Er zijn nieuwe mensen aangekomen in het kamp, waaronder negen kinderen. De mensen zitten te wachten voor de gezondheidscheck bij de dokter. Ze zien er bedrukt en vermoeid uit. Ik zie een vrouw met een klein meisje van ongeveer zestien maanden. Ze zijn zeer waarschijnlijk met de boot gekomen. De meeste vrouwen hebben dezelfde joggingbroeken aan.

De politie begeleidt de nieuwe mensen naar een bankje waar ze moeten wachten. Ik heb slechts één lachje gezien, toen ik het kleine kindje een kleurplaat en een stift gaf. Tussen de tekenende kinderen zit een oude man. Heel geconcentreerd een kleurplaat voor zijn kleindochter te kleuren. Alle stiften hebben geen dop meer. Een grote opvallende jongen vraag ik om mij te helpen de doppen weer op alle stiften te doen. Hij is denk ik verstandelijk beperkt. Iedere dag is hij bij onze cabine.

Het leven in het vluchtelingenkamp op Samos ziet er elke dag weer totaal verschillend uit. Het team van Stichting Bootvluchteling komt dagelijks met allerlei mensen en situaties in contact. Anne Frieling neemt je in deze blog mee in een doordeweekse dag op Samos.

Een Syrisch gezin
Het meisje van het gezin uit Syrië, dat moest vluchten nadat opa, oma en tante stierven door een bombardement, is weer bij de cabine. Ze is slim en spreek al goed Engels. Elke dag zit zij hier heel precies en heel lang te kleuren. Haar vader vertelde mij dat zijn zoontje niet slaapt en in de nacht erg angstig is. Hij is door de dokter doorverwezen naar het ziekenhuis in het centrum van Samos.

Het Koerdische jongetje
Er zijn een aantal kinderen aan het spelen voor de cabine. Ik zie dat er veel onrust is tussen de kleine jongetjes. Twee kleine jongetjes van vier of vijf jaar zijn aan het vechten. Als Mathieu, een mede-vrijwilliger, er eentje pakt en vasthoudt omdat hij zo tegenstribbelt komt het andere jongetje er weer aan en begint het andere jongetje weer te schoppen. Ik pak hem op en zet hem op een bankje.

Het jongetje dat Mathieu nog vast heeft probeert zich los te vechten. Ik zeg tegen Mathieu dat ik hem meeneem om te proberen hem met een boekje te kalmeren. Zodra ik hem optil klampt hij zich aan mij vast en blijft hij een hele tijd bij mij op schoot zitten. Hij is niet aanspreekbaar. Wil niets. Eigenlijk is hij toe aan schone kleding een bad. Hij ruikt naar urine en heeft snottebellen. Maar ik blijf hem over zijn rug aaien. Dat heeft hij blijkbaar nodig. En dan na een minuut of vijftien gaat hij van mijn schoot en gaat heel rustig een kleurplaat inkleuren. Later vertelt Ashly, de arts, dat ze dit jongetje kent. Hij is Koerdisch en wordt daardoor door de andere jongetjes steeds gepest.

Een papfles voor de baby
Een gezin dat vandaag is aangekomen komt met hun vijf maanden oude baby naar onze cabine. Samen met een tolk en Vanessa de arts gaan we naar binnen. Ik stel de ouders wat vragen en kleed de baby uit. Dan tijdens het meten begint de baby te huilen. Ze heeft honger. Omdat het kind zo huilt ga ik een flesje melk maken.
De fles is gesteriliseerd en ik ga snel naar moeder en kind. De baby weigert de fles en de ouders worden onrustig. Er moet nog pap in. Gelukkig hebben we dat. Dus snel ik terug naar de milkroom en maak er een papfles van. Ze drinkt er van. Het hoofdje meten doen we maar een andere keer. Het is koud buiten en ze hebben geen warme kleren voor het kind. Dus snel terug naar de tent.

Tekst: Anne Frieling
Foto: Anne Frieling

De Toekomst

Eén van de redenen waarom ik me opgaf als vrijwilliger bij Stichting Bootvluchteling is omdat ik wilde helpen. Net als vele anderen had ik op het nieuws gehoord van de narigheid en ik wilde helpen. Maar naast helpen wilde ik het ook begrijpen. Begrijpen wat de problemen zijn en wat we er aan kunnen doen. Na twee weken op Lesbos denk ik dat ik beter begrijp wat er aan de hand is, maar meer dan ooit ben ik verward en heb ik tegengestelde ideeën over wat er hierna gaat gebeuren.

Stichting Bootvluchteling geeft ‘cultural awareness’ sessies voor alle vrijwilligers. Ik was hier dankbaar voor. Ik had eigenlijk een beter idee moeten hebben van Soennieten en Sjiieten voordat ik hierheen vertrok, maar dat leek wat ingewikkeld. Dat is het ook. Syrië is ingewikkeld. Afghanistan is erg ingewikkeld en dan hebben we nog niet eens gehad over de problemen in Irak, Iran, Marokko, Eritrea, Congo, Algerije, Senegal, Mali, Kameroen, Oeganda en al die andere nationaliteiten die eindigen in Moria.

Eén van de mensen die ik ontmoette is uit zijn land gevlucht voor de Taliban. Het was er eenvoudigweg niet meer veilig voor hem en hij moest vluchten. Hij heeft tijd doorgebracht in een Turkse cel. Hij heeft een smokkelaar betaald en de kans gewaagd, in een gevaarlijk klein bootje, om veilig te kunnen zijn in Europa. Hij heeft mazzel. Hij is ontsnapt aan de Taliban, hij heeft de boot overleefd. Hij is in een vluchtelingenkamp in Europa.

Hij voelt zich geen mazzelaar. Hij is hier nu elf maanden. Hij vertelt me dat het voelt alsof hij een jaar van zijn leven verspild heeft. Hij heeft geen idee wanneer zijn asielaanvraag in procedure wordt genomen. De Immigration ACT zegt dat een asielaanvraag binnen zes maanden in behandeling moet worden genomen. Dat gebeurt niet. Hij heeft geen vertrouwen in de procedure, maar hij kan er niet onderuit. Hij hoopt dat hij asiel krijgt in Griekenland. Zijn vrienden in Athene vertellen hem dat de condities daar slecht zijn. Zijn hoop is dat hij eenmaal op het vasteland de grens over kan vluchten op zoek naar een leven en een baan op het vasteland van Europa.
Ik vroeg hem of het niet beter zou zijn om in Athene te wachten op een legale manier om op Europees vasteland te komen. ‘Dat gaat nooit gebeuren,’ lacht hij smalend. Ik denk dat hij gelijk heeft.

We vergelijken Facebook pagina’s. De mijne staat vol met foto’s van Engelse bruiloften, gepraat over Brexit en filmpjes van katten die omvallen. De zijne staat vol met foto’s van Arabische bruiloften, gepraat over aanvallen van de Taliban en filmpjes van katten die omvallen. Ik vermoed dat ik geen idee heb hoe vaak de Taliban aanvalt. Ik vermoed ook dat hij geen idee hoe gastvrij de Europeanen zullen zijn.

Ik ben er niet zeker van dat ik weet wat ‘populisme’ precies inhoudt. Ik denk dat het iets te maken heeft met strengere immigratie regels en het terugdringen van illegale immigratie. Ik denk dat dat geen goed nieuws is voor de mannen van Moria. Ik weet niet goed hoe ik mijn nieuwe vluchtelingenvrienden kan uitleggen dat er in Europa steeds meer vijandigheid ontstaat ten opzichte van vluchtelingen en dat het zeer waarschijnlijk is dat ze mensen zullen tegenkomen die hen zien als criminelen en terroristen. Ik gok dat dit desondanks te verkiezen valt boven de Taliban.

Ik heb een paar dingen geleerd terwijl ik op Lesbos was met Stichting Bootvluchteling:
1. Er is verschil tussen vluchtelingen die asiel zoeken en economische migratie.
2. Het is soms lastig om dat verschil te bepalen.
3. Het probleem zal niet verdwijnen.
Globaal genomen zijn er ongeveer 1,2 miljoen vluchtelingen. 3000 van hen (90% mannen) zijn in Moria. Bijna allemaal hebben ze een telefoon en Facebook en ze weten hoe het leven is in landen als Turkije, Griekenland, Afghanistan, Nederland en Groot-Brittannië.

De autoriteiten in Moria (UNHCR) hebben een lastige taak. Ik ben geen expert, maar het lijkt erop dat ze belast zijn met:
1. Moria een veilige, warme en gezonde omgeving te laten zijn voor 3000 jonge alleenstaande mannen.
2. Het snel in behandeling nemen van duizenden asielaanvragen (in zes maanden of minder), maar langzaam (zo lang als mogelijk) omdat de mensen eigenlijk nergens ander heen kunnen. (In Groot-Brittannië noemen we die Exit-Block)
3. Zorgen dat Moria een net genoeg verrotte plek is, zodat mensen liever in een Turkse cel zitten dan hier.

Wat kan ik doen:
Ik heb geen idee. Ik heb een overweldigende sympathie voor mijn nieuw gevonden vrienden uit het Midden Oosten, maar ik snap ook dat Europa onmogelijk 1,2 miljoen vluchtelingen aankan. Ik heb echt geen idee.

Wat ik wel weet is dat Stichting Bootvluchteling basale medische zorg geeft aan een klein aantal van hen. Ze zorgen ook voor psychologische steun voor de beschadigde en kwetsbare personen. Stilletjes ben ik trots dat ik daarvan een klein onderdeel mocht zijn. Ik hoop dat jij er ook een onderdeel van wilt zijn. Als een donateur, een vrijwilliger of eenvoudig als iemand die hen hierbij alle goeds wenst.
Voor mij zit de tijd erop en kan ik teruggaan naar mijn familie. Voor de vluchtelingen blijft het wachten voortduren.

Tekst: Dave Clarke
Foto: Bas Bakkenes

De mannen van Moria

Eerst helpen ze de kinderen, vervolgens de vrouwen, daarna de honden en de katten. En tot slot de mannen. Moria is waar de mannen worden weggestopt.

Het verleden vertelt ons dat het waarschijnlijk onze eigen schuld is. Veel te lang kwamen de mannen als eerst. En we verspilden dat privilege aan drank, seks, hebzucht, status en geweld. De hulporganisaties spenderen veel van hun tijd met anderen beschermen tegen mannen. Ik snap waarom we flink gezakt zijn op de ranglijst.

Moria is waar ze de mannen wegstoppen, maar Moria is niet gevuld met gewelddadige en haatdragende mannen die de bruggen achter zich hebben verbrand. Het ziet eruit als een gevangenis en het voelt ook als een gevangenis. Maar de mannen in Moria zijn daar niet omdat ze gevangen zijn, ze zijn daar omdat het mannen zijn.

Stichting Bootvluchteling gebruikt vluchtelingen als tolk. Het is niet ideaal, maar het werkt goed. Het geeft een kleine groep vluchtelingen de kans om hun lotgenoten te helpen. Ondertussen kunnen zij hun Engels verbeteren en geeft het mij toegang tot vele betaalbare taalvaardigheden. Belangrijk voor mij is dat het me nog iets geeft: mijn eerste toegang tot vluchtelingen en een betere kans om hun reis en hun situatie te begrijpen.

Naar Moria gaan is de eerste keer een beetje intimiderend. Er staat bewaking bij poort en de hoge grijze hekken met prikkeldraad zijn niet erg vriendelijk. Het is mijn eerste dienst en de eerste vluchtelingen die ik ontmoet zijn de tolken. Een uur later heb ik een scheikundestudent ontmoet, een snookerspeler, een biochemisch technicus en een kerel die zijn haar glad maakt in een vluchtelingenkamp.

Een uur daarna ben ik verslagen bij het schaken, heb ik een traditionele Afghaanse dans geleerd en heb ik foto’s bekeken van een familiepicknick in Irak. (Nooit geweten dat mensen zoveel familiepicknicks organiseren in Irak). Het blijkt dat de mannen in Moria niet gevangen zijn, ze zijn daar omdat het mannen zijn.

Later op de dag worden we geroepen om een patiënt te zien in de kampgevangenis. Het medisch team van Stichting Bootvluchteling is aanwezig in Moria van vier uur ’s middags tot negen uur ’s morgens en we zien allerlei soorten patiënten in het kamp. De politie van het kamp komt naar de medische post en vraagt ons om mee te komen naar een patiënt die is ingestort.

De patiënt die is ingestort heeft problemen die niet van medische aard zijn. We kunnen gebruik maken van onze uitstekende dokterstassen van Stichting Bootvluchteling om hem te onderzoeken en hij lijkt geen beduidende medische problemen te hebben. Hij lijdt aan een paniekaanval die waarschijnlijk samenhangt met diepe psychologische littekens. Het ziet er eng uit, maar is het niet. Het lukt ons de patiënt te kalmeren en de politie gerust te stellen.

Zoals bij velen zijn ook de problemen van deze man diep en psychologisch. Ik ben blij dat Stichting Bootvluchteling ook aan deze problemen aandacht probeert te geven. Ons zusterteam van het Psycho Social Support Team is druk bezig om de vluchtelingen in het kamp op Lesbos een uitlaatklep te geven. Dit kan door te gaan zitten voor een praatje. Het kan ook door de sociale interactie tijdens een spelletjesavond of door de scholingskansen voor Engelse les en meer te leren over Westerse culturen.

Ik vermoed dat al deze dingen niet genoeg zullen zijn. Ze vervangen geen familie, een thuis en een baan. Maar ik denk dat het wel een verschil maakt. Al door er te zijn maken we een verschil. Hier in Moria, waar niemand zich interesseert in de problemen van anderen, verschijnt dagelijks Stichting Bootvluchteling samen met een klein aantal andere hulporganisaties en laten we zien dat het ons wel interesseert. We tonen dat we begrijpen dat het gewoon mensen zijn. Geen criminelen. Geen terroristen. Niks anders eigenlijk, gewoon alleenstaande mannen die nergens anders heen kunnen.

Deel 1 gemist? Scroll even terug naar de post van gisteravond en lees het eerste deel van deze inspirerende blog.

Tekst: Dave Clarke
Foto: Arie Kievit

Leven op Lesbos

Ik sta naast een vluchteling uit Syrië. Het is twee uur ’s nachts en hij bloedt op mijn schoenen. Het is een ramp om bloed van je schoenen te krijgen. Zijn vrienden sleepten hem naar onze medische post nadat hij een scheermesje op zijn pols had gezet. Hij is waarschijnlijk dronken. Zijn arm ziet er behoorlijk verschrikkelijk uit.

Hij lijkt de pijn niet te voelen, maar hij bloedt enorm. Hij blijft niet stil zitten en wil nu een sigaret. Ik laat hem gaan. Ik denk niet dat ik echt een keuze heb. Buiten staat een grote groep mannen. Sommigen zijn bezorgde vrienden. Anderen zijn komen kijken waar alle commotie om is. Ik neem het ze niet echt kwalijk, het leven in Moria is zielslopend saai.

Nu is iedereen aan het schreeuwen. Ik heb geen idee waar het allemaal over gaat. Mijn tolk schreeuwt ook. Ik vang de blik van de andere vrijwillige arts. Ze lijkt wat angstig. Ik ben blij dat ik niet de enige ben. Zachtjes knijp ik in zijn onderarm in een poging de bloeding te verminderen. De sigaret is opgerookt. Het schreeuwen gaat door. Het bloeden gaat door. Het is tijd om in actie te komen. Ik probeer over te komen alsof ik de leiding heb en ik verkondig dat we weer terug naar binnen gaan. Tot mijn opluchting werkt het. Ik vind het prettig in de post. Het is er warm, er is goede verlichting en ik heb medische spullen. En er zijn geen twintig boze mannen die tegen elkaar schreeuwen.

Hij vraagt me mijn hand van zijn arm af te halen. Hij wil er een foto maken met zijn telefoon. Serieus? Ik kijk goed. Het is erg diep. Is dat bot? Hier ben ik goed in. Eerlijk gezegd geniet ik hier van. Maar normaal gesproken heb ik beveiligers, verdoving, ruimte, licht, warmte en als het niet goed gaat kan ik een vriend bellen die me komt helpen. Dit is Moria and ik zit in een portacabin waar ik twee keer eerder gebruik van heb gemaakt.

Stichting Bootvluchteling heeft een fantastische klus geklaard met het inrichten en bevoorraden van de kliniek. De kleine ruimte is goed georganiseerd en ondanks het voor ons onbekende terrein kunnen we alles vinden wat we nodig hebben. Ondanks de problemen weten we succesvol het bloeden te stoppen en de wond schoon te maken en veertien hechtingen later lijkt het al weer wat meer op een arm. Hij neemt nog een foto, ik ben best trots op het werk dat we hebben verricht. Ik vraag me af of het op Facebook zal weten te belanden. Het is maar iets kleins, maar als Stichting Bootvluchteling er niet was geweest, zou zijn arm permanent beschadigd zijn geweest en had hij dood kunnen bloeden.

‘Automutilatie’ of ‘zelfverminking’ is alledaags hier. Het is niet moeilijk te zien waarom. Ondanks de portretten die de media van de vluchtelingen schetst, is wat me het meest opvalt aan de vluchtelingen die ik ontmoet dat ze zo gewoon zijn. Normaal, aardig, vriendelijk, goedgehumeurd, intelligent. Jonge mannen wiens leven in stukken is gescheurd. Het verbaast me dat we niet meer automutilatie zien. Het verlies van familie, de niet-gediagnosticeerde posttraumatische stress, de verveling, het langzame verlies van hoop, het verlies van menselijkheid en dan het eindeloze wachten.

Ik ben er niet zeker van dat ik het zover zou redden.

Tekst: Dave Clarke
Foto: Henk van Lambalgen Photography

‘May we meet again’

Het is donderdagmiddag, 16.00 uur. We lopen Moria binnen voor mijn laatste avonddienst. Wat een vertrouwde gezichten zie ik terwijl ik het kamp door loop met een crashbag op mijn rug. ‘Hello my friend, how are you?’ hoor ik van alle kanten en gek genoeg voelt het goed en vertrouwd hier te lopen. Ik bedenk me hoe bijzonder het is dat je in een korte tijd zoveel mensen kent van de vele mensen die hier al lange tijd, vaak al maanden vastzitten zonder uitzicht. Bij de medische cabin aangekomen staan de meest vertrouwde gezichten al klaar: de vertalers met wie ik de afgelopen weken zoveel heb meegemaakt. Alle emoties in alle uitersten hebben we gezien en ook allen heb ik zelf in volle intensiteit gevoeld. Verdriet om het verlies van anderen, geluk als iemand verrast lacht omdat ik hem in het Arabisch begroet, ongeloof door de vele heftige verhalen, maar vooral machteloosheid om de uitzichtloosheid hier. Ik heb vaak met de handen in het haar en rug tegen de muur gestaan, gefrustreerd over hoe weinig je kunt doen. Het leven staat hier voor velen stil, met alle heftigheid van het verleden vers in het heden van de herbelevingen in de nacht.

Paniekaanvallen voortvloeiend uit deze herbelevingen hebben op mij de meeste indruk gemaakt en terwijl ik de crashbag wegzet loopt er een bekend gezicht langs die meer indruk op mij heeft gemaakt dan hij ooit zal weten. Het is het gezicht van een grote imposante Syrische man, die met zijn pretogen naar me lacht en toesnelt om me een hand te geven. Ik herken dit gezicht nauwelijks van een week geleden, toen ik een uur lang in zijn met huiveringwekkende angst gevulde ogen keek om hem uit zijn paniekaanval te krijgen. Een intensief uur waarin alleen hij en ik bestonden; hij hyperventilerend in zijn herbelevingen, ik met mijn hand op zijn buik en voorhoofd om hem te laten focussen op zijn ademhaling en mij. Samen met hem ademhalend en eindeloos herhalend dat hij hier veilig is en dat het goed komt. Maar is dat wel zo? Ja, daar ben ik van overtuigd, maar wanneer is de vraag. We praten even en hij vervolgt zijn ‘weg’. Ik lach, geniet van dit moment en ben blij met wat ik voor hem heb kunnen betekenen in deze bizarre wereld genaamd Moria.

Alsof het zo heeft moeten zijn zie ik vanavond meerdere mannen die ik in de afgelopen weken in totaal andere toestand heb behandeld. Mijn eerste patiënt: de Afghaanse man met automutilatie, waarbij ik van de door mezelf gehechte wonden de laatste hechtingen verwijder. Het gaat beter met hem en ik zie dat hij zich netjes geschoren heeft. En even later ook de jongen van de vechtpartij van afgelopen nacht, die trouw is gekomen nadat ik hem vannacht op het hart gedrukt heb te komen om zijn wonden te laten checken. Maar ook hoor ik net als iedere shift weer schrijnende verhalen en zie ik grote mannen als kleine kinderen huilen van wanhoop en verdriet. Het frustreert mij voor de zoveelste keer dat zij geen uitzicht hebben en machteloosheid overheerst wederom. Hoe lang gaat dit nog duren? Te zien aan de nieuwe containers die zijn geplaatst ter vervanging van de weggehaalde tenten is het einde nog lang niet in zicht.

Om 23.00 uur is mijn shift voorbij en ik stap uit de cabin. Er staat een groepje mannen buiten en ik word aangesproken door de jongen van de vechtpartij van afgelopen nacht. ‘Best doctor, you help my friends!’ Hij wijst naar zijn vriend die last heeft van hoofdpijn. Vervolgens naar twee anderen en ook zelf heeft hij nog een vraag. I’m sorry my friend, mijn shift en daarmee ook mijn tijd hier zit erop. Ik zeg hem dat mijn collega dokters hem zullen helpen en ik geef hem met vertrouwen een hand, wetend dat dit heftige, maar zo dankbare werk zal worden voorgezet door vele fantastische vrijwilligers na mij. Helaas is dit nodig, maar ik hoop met heel mijn hart dat deze bizarre Moria wereld, die je moet ervaren om te begrijpen hoe het er hier aan toe gaat, niet lang meer zal bestaan. Ik loop mijn (voor nu) laatste stappen door Moria, terwijl ik word uitgezwaaid door de vertalers, hopend dat ook zij binnenkort kunnen gaan en staan waar en wanneer ze willen. We zeggen geen goodbye (‘we won’t die right?!’) maar ‘may we meet again’. Met deze woorden verlaat ik Moria. Ik voel me gelukkig dat ik hier veel heb kunnen betekenen, maar vrees ook voor de vele mensen voor wie deze bizarre Moria wereld nog maanden de harde realiteit zal zijn.

Tekst: Tessa Schrijver
Foto: Tessa Schrijver

Een pijnlijke realiteit

Het blijft een raar gevoel te beseffen dat jij zomaar met je paspoort terug kan gaan naar een plek waar sommige mensen al meer dan elf maanden van dromen. Het is een raar gevoel dat inmiddels zo’n 350 dokters en verpleegkundigen voor mij hebben doorgemaakt vertrekkend van Lesbos.

Oorzaken en gevolgen liggen hier dicht bij elkaar. Als je bedenkt dat het gros van de mensen in geïmproviseerde tentenkampen of cabines slapen en dat door de kou iedereen het liefst binnen is, dan is het niet heel verwonderlijk dat elk virus zich binnen no time verspreid met het hele scala aan verkoudheidsklachten tot gevolg: hoofdpijn, een snotneus, keelpijn, oorpijn en soms longontstekingen. Als je bedenkt dat voor velen het (avond) eten vooral bestaat uit bonen met rijst, elke dag, zonder de beschikbaarheid van genoeg groenten of iets met voldoende vitaminen en vezels, is het niet heel verwonderlijk dat mensen klagen over maagklachten en obstipatie. Als je de karige sanitaire voorzieningen zonder warm water ziet en de droge lucht in de cabines merkt door kachels die continue aan staan ziet, is het niet heel verwonderlijk dat mensen komen met allerlei soorten huidproblemen van schimmels tot eczeem. Ook zal het niet verwonderlijk zijn als er ergens de komende maanden de buikgriepvirussen de kop op steken.

Deze zaken houden het medical team behoorlijk bezig en de medicatie die hiervoor verstrekt wordt loopt ook behoorlijk in de cijfers. Bij het uitrekenen van wat er maandelijks gemiddeld verstrekt werd kwam ik op zo’n 6000 tabletten paracetamol, zo’n 3000 tabletten ibuprofen of diclofenac, zo’n 2500 strepsils, zo’n 850 capsules amoxicilline (voor de meerekenende lezers zo’n 55 kuren), 2 kg movicolon, 500 maagtabletten en de nodige allergie tabletten tegen de jeuk en de inhalers voor astma-aanvallen om maar wat voorbeelden te geven.

De meeste indruk maakte deze cijfers echter allerminst. De verschrikkelijke verhalen die mensen vertellen over martelingen door Daesh of door andere partijen waardoor ze hun thuisland moesten ontvluchten. Het verliezen van broers/zussen, ouders of andere familieleden door het aanhoudende geweld. De paniekaanvallen door herbelevingen of angst, depressieve patiënten die soms radeloos bij je komen doordat ze weer bedreigingen hebben ontvangen via social media en vele andere zaken die een beproeving zijn voor de geestelijke gezondheid maakte daarentegen veel meer indruk.

De hoop dat Moria ontmanteld zal worden en dat de mensen die in dit overvolle kamp verblijven zullen worden verplaatst naar andere landen heb ik inmiddels laten varen. Maar gelukkig zie je ook dat sommige mensen zich er positief doorheen proberen te slaan, Grieken en allerlei andere vrijwilligers die de mensen elke dag met raad en daad bijstaan en kinderen die net zoals overal ter wereld zich altijd wel spelend kunnen vermaken. Dit stemt samen met het weer dat langzaam aan een beetje beter wordt toch een beetje hoopvol, een beetje….

Tekst: Arno Maas
Foto: Arie Kievit

Een kopje thee tussen het prikkeldraad

De politie sluit de hekken van het kleine medische gebied in het kamp. Al onze vrijwilligers zijn nu ingesloten samen met de new arrivals. We kunnen geen kant meer op, omringd en ingesloten door hekken en prikkeldraad. Deze nieuwe mensen zijn drie uur geleden aangekomen op het eiland. Sommigen zitten, nog helemaal doorweekt van het water dat hun bootje in is geslagen, te rillen van de kou op de bankjes voor onze cabines. Onder de bankjes, naast hun modderige schoenen staan hun kleine, tevens met modder besmeurde rugzakken. In deze rugzakken zit hun hele leven: het zijn waarschijnlijk alle bezittingen die ze hebben meegenomen van de plek die ooit hun thuis is geweest. Er is een baby die niets anders kan dan huilen. De oudere kinderen hebben zichzelf onder geplast en ruiken alles behalve fris. Tussen ons in verspreid staat de politie. De vrouwen huilen en de mannen staren met holle lege ogen voor zich uit. De sfeer is gespannen, emotioneel en drukt op onze schouders. Wij, vrijwilligers, kijken elkaar aan. Vastberaden dit maal. Dít is het moment dat wij deze nieuwe mensen kunnen laten zien dat ze niet vergeten zijn in deze grote enge, wereld. Dít is het moment om hen te laten zien dat er vreemden op deze wereld zijn die om hen geven. Dít is het moment om ze een stukje menselijkheid terug te geven en onze handen uit onze mouwen te steken.

Wat een prachtig team hebben we. Met ons allen spreken we onder andere Arabisch, Frans en Engels. We bieden iedereen een warme kop thee aan. Voor de baby’s hebben we in de milkroom schone luiers, vochtige doekjes, sapjes, melk en cerelac. De kleine kinderen kunnen meteen naar onze dokters om ze een medische check te geven. We delen warme cerelac uit zodat de moeders hun hongerige en koude kinderen kunnen voeden. Ook de zachte, warme baby dekens komen tevoorschijn en worden weggegeven. We leggen onze elektrische deken op de grond en gaan spelletjes doen met de kinderen om die lach terug op hun gezichtjes te toveren. Door de grote hoeveelheid talen die we spreken, kunnen we vele vragen beantwoorden en maken we deze enge momenten voor de new arrivals iets minder beangstigend.

Na twee maanden zit ik weer thuis op de bank in Nederland afleveringen terug te kijken van het programma over boeren die op zoek naar de liefde. Met een kop thee naast me voelt het alsof ik nooit ben weg geweest. Het voelt bijna alsof afgelopen twee maanden niet gebeurd zijn, zo onwerkelijk lijkt alles nu.
Ik wil Stichting Bootvluchteling bedanken. Ik wil haar bedanken voor haar aanwezigheid op het eiland. Denkend aan Samos, weet ik hoe lastig het leven is voor sommige mensen in het kamp. Elke dag weer het eindeloze wachten. Het eindeloze wachten waarop eigenlijk? Niet wetend wat hen te wachten staat, zich meer dan ooit beseffend dat zij bijna alles achter laten, zijn zij op weg gegaan naar Griekenland. En daar staat hen eerst een leven omringd door hekken en prikkeldraad te wachten; een leven waarin zij soms de eerste, enge momenten nat en koud moeten doorbrengen in een dichte medische area.

En precies daar, net over die grens van Europa, staan de vrijwilligers van Stichting Bootvluchteling de mensen in het kamp op te wachten. Elke dag weer, ongeacht of het een nationale feestdag, vrije dag of zondag is, zijn de milkroom en de medische cabine geopend. We zijn er altijd om een kop thee te geven, om vaders en moeders spullen voor hun baby te geven, om kinderactiviteiten te doen en om patiënten te zien. Het is een troostende gedachte dat nu ik er zelf niet meer ben, andere fantastische vrijwilligers weer precies hetzelfde zullen doen als ik gedaan heb. Het geeft me hoop dat er nu nog steeds mensen zijn die new arrivals een kopje thee zullen geven wanneer zij nog nat in de medische area zitten te rillen van de kou. En bovenal ben ik dankbaar dat er in het kamp vrijwilligers zijn met een troostende schouder en een luisterend oor, om daar waar het mogelijk is, een stukje menselijkheid terug te geven aan de mensen in het kamp, in een plek omringd door hoge hekken.

Tekst: Rozemijn Aalpoel
Foto: Arie Kievit