Zo trots!

Stichting Bootvluchteling verzorgt op Lesbos activiteiten en medische hulp voor kinderen, volwassenen en gezinnen in de kampen Moria en Kara Tepe en in het Caritashotel. In het hotel verblijven nu tachtig vluchtelingen. Het was voorheen een normaal hotel, maar is nu al wat meer vervallen. De locatie is schitterend: op een heuvel, ver weg van alles, met een grote tuin en uitzicht op zee. Heel mooi voor een vakantie, maar voor vluchtelingen is de locatie erg geïsoleerd.

In het hotel verblijven de meest kwetsbare vluchtelingen: gezinnen met jonge kinderen. Er wordt middels ‘spelend leren’ tweemaal per week Engelse les gegeven aan kinderen. Een groot deel van de kinderen heeft nog onvoldoende schoolse vaardigheden om in een klein groepje onderwijs te krijgen, dus leren we hen deze vaardigheden aan. Door te knutselen leren kinderen om zich te concentreren, om stil op een stoel zitten, iets af te maken, netjes een vraag te stellen of om even te wachten als iemand met bijvoorbeeld een schaar bezig is. Een ander voorbeeld is om kinderen te leren tellen door bewegingsspelletjes, of het aanleren van kleuren door samen te tekenen. We bieden structuur aan door een weekthema te kiezen voor de activiteiten en door de middagen altijd op dezelfde manier te beginnen. Zo proberen we een zo veilig mogelijke omgeving voor de kinderen te creëren, waarin ze nieuwe dingen leren, succeservaringen opdoen en plezier hebben in de paar uur dat wij er zijn.

Het is zo inspirerend om te zien hoe kinderen door de ondersteuning en aandacht de lessen goed oppikken en dan ook trots zijn op de werkjes die ze hebben gemaakt, of de Engelse woordjes die ze nog weten. Het is fijn om te ervaren dat sommigen bij onenigheid niet meer direct met stenen gaan gooien, maar naar ons toe komen. En het is mooi om te zien hoe kinderen soms zo hun best doen om ‘goed’ te doen en de juffen willen helpen met schoonmaken.

Deze middag ga ik met twee collega’s naar de kinderactiviteit in het Caritashotel. Het is vanaf het vrijwilligershuis drie kwartier rijden door een landschap waarbij zeezicht en heuvels elkaar afwisselen. Ik rijd er graag heen, want het is een prachtige route! De kinderen die naar de activiteit komen krijgen van ons een naamsticker met een plaatje. Dat slaat altijd goed bij ze aan en voor ons is het handig om de namen te leren. Eerst doen we wat sportspelletjes, daarna knutselen we met vouwblaadjes: papieren vliegers voor de jongste kinderen en papieren bloemen voor de oudere kinderen. Door de kinderen te verspreiden over de verschillende tafels is er meer fysieke afstand tussen de kinderen. Dat geeft rust.

Ik zit aan een tafel met vijf meisjes. Sommigen hebben de opdracht goed door, maar anderen vragen wat extra begeleiding. De meisjes zijn erg rustig, als ik niet op let worden ze door de andere kinderen letterlijk van hun stoel geduwd en wordt hun werkstuk afgepakt. De meisjes willen graag de bloemen maken en zijn erg geconcentreerd. En dan komt Hamid aan onze tafel zitten. Hij is pas vijf jaar. Hamid zegt niets en reageert niet als ik hem wat vraag, maar werkt heel geconcentreerd aan zijn eigen werkstuk en let niet op de andere kinderen. Hij knipt, plakt, tekent en knipt weer. Hij is wel twintig minuten bezig. En dan is hij klaar. Hij tikt op mijn arm, houdt zijn werkstuk omhoog en lacht! Hij is er zo trots op. En het is ook prachtig! Blij loopt hij voorzichtig weg met zijn zelfgemaakte kunstwerk. De meisjes zijn ook klaar. Ook zij kijken blij naar hun bloemenpracht en nemen het mee naar ‘huis’.
Ik hoop dat ze hun zelfgemaakte kunstwerk mogen ophangen in de kamer waar ze met hun ouders wonen, zodat ze zich nog lang trots kunnen voelen.

Tekst: Anne Wostmann
Foto: Henk van Lambalgen

Je bent jong en je wilt wat

Bij aankomst in het kamp op Samos zijn er verschillende dingen die me zouden kunnen raken. Het prikkeldraad op de hekken die hoog boven het kamp uittorenen of de felle verlichting die aangaat als het donker wordt en iedereen wakker houdt. Het zien van een tiental paar schoenen voor de ingang van een door twee families gedeelde tent of 25 door jonge mannen bewoonde stapelbedden in een soort zeecontainer. Mensen die uren wachten voor de medische post of hopeloos vermoeid ogende mensen die net zijn aangekomen na een lange reis. Wat mij ook opviel is de gemoedelijke sfeer in het kamp. De rust en vriendelijkheid die de meeste mensen uitstralen. Ook de politie en het leger houden zich rustig, verveelden zich misschien wel kapot, net zoals de meeste andere mensen in het kamp.

Na ruim drie weken zie ik dat de rust die me eerst opviel, vooral verveling, misschien wel een soort berusting is van mensen die al maandenlang geen idee hebben hoe hun toekomst eruit zal zien. Moeten ze weer terug? Mogen ze verder Europa in? Waarheen dan? En wat betekent dat voor de rest van hun leven? Ze hebben het niet in eigen hand. De vriendelijkheid die me opviel is een behoefte aan normaal contact, afleiding misschien wel van de stress die het wachten oplevert. De klachten waar onze dokters met name mee te maken krijgen zijn slapeloosheid en andere stress-gerelateerde klachten. ’s Nachts begint het denken en malen. En dan staan ook die irritante lichten nog aan.

Terwijl ik op een prachtig leeg strand mijn gedachten probeer te ordenen, schrijf ik op wat me het meest geraakt heeft. Ik heb veel jonge mannen leren kennen hier in het kamp. Gasten van mijn eigen leeftijd. Zoals onze vertalers. Zonder hen zou er geen patiënt geholpen kunnen worden. Vertalen is niet alleen een kwestie van het omzetten van gesproken woorden. Het is ook begrijpen hoe een patiënt zich voelt, waar de dokter heen wilt en heel goed luisteren. Terwijl de vertalers wachten tot ze moeten vertalen, hangen ze rond bij de medische cabine, zijn ze aan het internetten op hun telefoon of kletsen ze met mij of een andere vrijwilliger over cultuurverschillen. Ze zijn net als ik tussen de twintig en dertig jaar, in de bloei van hun leven. Op zoek naar dingen, werk, liefde, een toekomst waarin ze hun energie en passie kwijt kunnen. De een is een oorlog ontvlucht, de ander probeert de armoede achter te laten en weer iemand anders vlucht voor corruptie en onderdrukking. Ze wachten al maanden op een antwoord op de vraag: hoe gaat mijn toekomst eruit zien?

Zittend op dit afgelegen strand denk ik na over mijn eigen toekomst. Ik vlieg alweer bijna terug naar Nederland en begin daarna aan een nieuwe baan waarvan ik verwacht dat die me zal gaan uitdagen. Waar ik al mijn energie in kwijt kan. Nog niet zo lang geleden zijn mijn vriendin en ik uit elkaar gegaan, een moeilijke beslissing, maar wel mijn eigen beslissing. Ik heb mijn toekomst in eigen hand. Het enige verschil tussen mij en deze jongens is de plek waar we geboren zijn. We delen vele interesses en idealen. Hebben allemaal dezelfde grote hoeveelheid energie die we kwijt moeten en willen dolgraag aan ons leven bouwen.

Bij het verwerken van een asielaanvraag krijgen vrouwen, kinderen en andere mensen die als kwetsbaar worden voorrang. Logisch natuurlijk. Ze worden als hun asielaanvraag wordt goedgekeurd hopelijk intensief begeleid. De meeste mensen die in het kamp blijven zijn echter jonge mannen. Vol energie om iets van hun leven te maken. Hun integratie zal hen in staat stellen om iets terug te geven aan de samenleving. Nieuwe ideeën en talent.

Ik denk dat het te beperkt is om het opnemen van vluchtelingen enkel te zien als een moreel vraagstuk. Als welvarend Europees land moeten we ons afvragen of we mensen die oorlog en onderdrukking ontvluchten moeten helpen. We kunnen het ook als een kans zien om nieuwe mensen met unieke talenten en ideeën op te nemen in onze maatschappij. Die hun uiteindelijk op hun eigen manier ook een bijdrage kunnen leveren aan onze samenleving. In het klein wordt dit op Samos gedaan door Stichting Bootvluchteling. Door deze jongens als vertaler in te zetten wordt hun potentie erkend. Zo is Stichting Bootvluchteling er niet alleen voor de aller-kwetsbaarsten.

Tekst: Erjo Beitler
Foto: Henk van Lambalgen

Picknicken buiten het kamp

Iedere week wordt er op maandag een picknick georganiseerd voor Afghaanse vrouwen en op woensdag voor vrouwen uit Syrië en Irak. We hebben dan twee auto´s tot onze beschikking waardoor er acht vrouwen mee kunnen gaan. Eén daarvan is een vluchteling die de taal van de vrouwen spreekt én ook redelijk goed Engels spreekt. Iedere week krijgen andere vrouwen een kans om mee te gaan. Voor deze maandag hebben we een mooie plek uitgezocht bij een Romeins aquaduct. Een prachtige, rustige plek, vol bloeiende bloemen. Er is daar voldoende privacy zodat de vrouwen zich wat vrij kunnen voelen.

Als we bij het kamp Kara Tepe aankomen om ze op te halen, staan ze al buiten te wachten. Een enkeling begroet ons wat verlegen, anderen doen het met een omhelzing. Sommige vrouwen zijn al eerder mee geweest met een uitje en kennen ons van deze activiteit of van de Vrouwengroep.

Ze noemen allemaal hun naam, maar helaas, ik probeer deze echt te onthouden maar het lukt me niet. De klank van de namen is zo onbekend voor me dat ik deze weer snel vergeet. In de auto zijn ze vrolijk en laten hun eigen muziek horen. De sfeer is die van een schoolreisje: vrolijk en een beetje uitgelaten. Tijdens de autorit maken ze met hun mobiel veel foto´s van het uitzicht en van elkaar. Ze hebben er zin in. Daar ben ik blij om. Ik hoop dat ze zich ook even een beetje vrolijk kunnen voelen.

Bij het aquaduct lopen ze wat rond, maken bloemenkransen voor iedereen en genieten van de omgeving. Ze maken veel foto’s: selfies, foto’s van elkaar, de omgeving en ook foto’s van henzelf met ons, de begeleiders. We hebben een fototoestel bij ons en daarmee kunnen we foto’s maken van de vrouwen die dit willen. Niet alle vrouwen willen dit. We maken geen foto’s van hen met onze mobiel. Dat is verboden, om de privacy van de vrouwen te waarborgen. Met een los fototoestel vertrouwen de vrouwen erop dat de foto’s niet gedeeld worden op social media. Na enkele dagen krijgen ze allemaal een afdruk van henzelf én een foto van de omgeving waar we toen waren. Een herinnering aan een fijn moment van hun verblijf op Lesbos.

We picknicken samen, waarbij ze zorgzaam opletten dat ook wij voldoende eten. Daarna wordt er gedanst op de muziek die zij hebben meegenomen. Wij doen als begeleiders niet meer dan een uitje faciliteren. De vrouwen maken er met elkaar een mooie middag van. Na twee uurtjes gaan we weer op huis aan. ‘Huis’ betekent voor hen een cabin in het kamp Kara Tepe. Als we er bijna zijn roepen ze: No, no not to Kara Tepe, Kara Tepe is not good! En ik kan niet anders dan er toch stoppen en met een oprechte omhelzing afscheid nemen van de vrouwen. En zij zeggen: ‘Thank you, it was very nice!’

Tekst: Anne Wostmann

Mijn eerste uren op Lesbos

Het is half 7 ’s ochtends en ik ben geland op Lesbos. Eindelijk. Ik had er al weken naar uitgekeken om als vrijwilliger voor St Bootvluchteling te kunnen gaan werken. Ik was zó benieuwd hoe het zou zijn: de kampen, de vluchtelingen, mijn mede huisgenoten en vooral ook hoe ik het zou vinden om in de vluchtelingenkampen te werken. Zou ik het kunnen en zou ik het aankunnen?

Op het kleine vliegveld van de hoofdstad Mytilini wacht ik op mijn koffer. Buiten zie ik al iemand staan met een blaadje waarop mijn naam staat. Een collega- vrijwilliger dus die mij op dit vroege uur ophaalt. Zou dat tekenend zijn voor de sfeer in het huis, voor de zorg voor elkaar? Ik hoop het.
Samen rijden we naar het huis waar de vrijwilligers wonen. Het is een groot roodkleurig oud huis, gebouwd in de Griekse stijl van het eiland. In het huis, de ‘mansion’ genaamd, is plaats voor ongeveer 18 personen. In omvang en uitstraling zou het zo in een Pipi Langkous boek passen.

Als we aankomen bij het huis liggen de andere vrijwilligers nog te slapen, dus sluipen we op onze tenen door het grote huis met de oude houten vloeren. Het huis is volledig in gebruik. Uiteraard worden verschillende kamers gebruikt als slaapkamers maar er is ook een eet-vergaderkamer, een zitkamer, een kleine keuken met alleen koud water, drie badkamers, een sterilisatie keuken voor de medici en een grote zolder. Deze zolder, waar in je fantasie een spannende schat of geheim verborgen zou kunnen liggen wordt enkel gebruikt voor de was. Aan deze zolder zit een groot dakterras waar je een fantastisch zicht hebt op de zee. Daar ga ik vast wel in mijn vrije uurtjes lekker op zitten lezen.

Omdat het nog zo vroeg is en ik vele uren onderweg ben geweest, ga ik nog even slapen in mijn bed in de 5-persoonskamer. Het is stil in huis. Op de straat die langs het huis hoor ik de auto’s langsrijden.
Ik word na een uurtje wakker in een totaal ander huis. Het was zo stil toen ik aankwam en nu is er volop leven in het huis. In de smalle gangen, de badkamers en in de kleine keuken, overal zijn ineens mensen. Ontbijt aan het maken, op weg naar een van de douches, aan het kletsen. Ik zie steeds nieuwe gezichten en krijg steeds meer namen om te onthouden.

Tijdens mijn ontbijt raak ik aan de praat met twee andere vrijwilligers. Ik hoor hun verhalen over de dienst die ze die avond of nacht hadden. Uit hun verhalen krijg ik de indruk dat zij hier al een hele tijd zijn. Als ik het aan ze vraag blijkt dat ze er nog maar drie dagen zijn. Drie dagen geven al genoeg gespreksstof over de kampen en de vluchtelingencrisis in zijn algemeenheid.

Doordat je met z’n allen in de mansion woont is er gelukkig de ruimte en de tijd om elkaar op te zoeken als daar behoefte aan is. Er is ook ruimte om je even terug te trekken of alleen op pad te gaan. Ik ben hier nog maar een paar uur en heb al het gevoel dat ik in een warme familie terecht ben gekomen. Ik ben benieuwd wat de komende weken mij gaan brengen en wat ik samen met de andere vrijwilligers kan betekenen voor de vluchtelingen.

Tekst: Eva van Beek

Ik zou willen zeggen dat het goed komt

Het is zaterdagavond. Ik heb net even contact gehad met het thuisfront, zij staan klaar om naar een verjaardag te gaan. Anderen gaan feesten in het dorp. En ik ga naar één van de meest mensonterende plekken van Europa, naar Moria… Wat een contrast. Maar ik ben in goed gezelschap van twee lieve dokters en een verpleegkundige. Zelf ben ik vanavond crowd controller, ik ontvang de mensen als ze naar een dokter willen, schrijf hun gegevens op probeer alvast een praatje te maken.

De avond start rustig. Zoals iedere keer ervaar ik dat mensen blij zijn dat we er zijn. Niet alleen voor een bezoek aan de dokter maar ook voor een gesprekje en een luisterend oor. Wederzijdse gesprekken (met dank aan de vertalers) en veel respect. Er wordt koffie en thee voor ons gehaald. Het wordt donker en wat drukker, zoals meestal ’s avonds.

Dan hoor ik ineens veel lawaai en zie ik een groep mannen aan komen rennen, tussen hen in een oude brancard met een jonge man erop. Hij ziet er niet goed uit. Ik waarschuw een dokter en de brancard gaat de medische cabine in. Een deel van de mannen gaat mee naar binnen en ook de vertaler gaat erachteraan. Te veel mensen voor zo’n kleine cabine dus na wat geharrewar komen de meesten weer naar buiten, net als de brancard (in stukken). Ik sluit de deur en ga zitten op de steen die voor de deur ligt, zo heb ik controle over wie er in en uit gaat (ik ben tenslotte crowd controller).

Ik schrijf nog wat gegevens op en dan realiseer ik me dat het onnatuurlijk stil is om me heen. Ik kijk op en zie minimaal twaalf paar donkere ogen die me aankijken. En ik zie zoveel emotie. Angst, herkenning, paniek. Achter me in de cabine wordt hard gewerkt hoor ik. En ik kan niets, voel me zo onmachtig. Ik zou willen zeggen dat het goed komt, maar dat weet ik niet. En als het nu goed komt zegt dat nog niets over morgen, of overmorgen.

Deze mensen zitten hier al maanden, sommigen langer dan een jaar. Na een zware reis en wat daaraan vooraf is gegaan. Ik zou willen zeggen dat er goed voor hem gezorgd wordt, maar ook dat kan ik niet. De artsen hier doen verschrikkelijk hun best, maar de voorzieningen zijn lang niet toereikend. Hier in het kamp niet, maar ook verder op het eiland niet. Ik zou zo graag iets zeggen, maar er valt niets te zeggen tegen mannen die niet weten hoe het met hun vriend, broer of neef gaat. Een ogenschijnlijk stoere sterke jonge man. Maar tegenover me zitten de mannen die bezorgd zijn. Die zijn thuisfront moeten inlichten als er echt iets ernstigs is. Ik kan niets zeggen, alleen maar zijn. En dat doe ik maar. Een soort contact zonder woorden, het is het enige wat ik kan doen.

Na een poosje gaat de deur open en vertelt de dokter dat het gelukkig weer beter gaat met de jongeman. Het gaat goed komen. Hij had een paniekaanval. Zoals meer mensen hier regelmatig hebben. Gelukkig niets levensbedreigends, maar evengoed heel heftig. Nu voel ik de opluchting om me heen. Een aantal mannen gaat even weg, nu kan het. Ze bedanken ons. Na nog een half uurtje mag ook de patiënt gaan, ondersteunt door zijn vrienden. Hij ziet nog heel wit, maar kan weer een grapje maken. Gelukkig maar. Ook hij bedankt ons en de afspraak wordt gemaakt dat hij morgen terug komt. Zodat de dokters een klein beetje een vinger aan de pols kunnen houden, dat is het weinige dat ze kunnen doen (al is dat tegelijkertijd ook veel). En dan is het weer even rustig rond de medische cabine. Alleen de oude brancard wordt nog opgehaald. Dat bleek zijn bed te zijn…

Blog: Manon Mol
Foto: Henk van Lambalgen

Bevallen in kamp Moria

De avonddienst van de twee artsen, een verpleegkundige en een lid van het PSS team (Psycho Sociale Team) is rustig verlopen. Er zijn 38 patiënten geweest in de dienst: velen met slaapproblemen, maagpijn, zich ziek voelen. Verschijnselen die vaak ook uitingen zijn van onderliggende ernstige problemen: trauma’s, depressie, stress. Problemen die gerelateerd zijn aan gebeurtenissen in hun thuisland, hun vlucht op zoek naar veiligheid zich ontheemd voelen.

Als het team van de nachtdienst rond 23.00 uur in het kamp arriveert is het rustig bij de medische cabine. Er komen nog een paar mensen en om 02.00 uur zijn alle patiënten weg. Voor de vertalers zit hun dienst erop. Zij gaan ‘naar huis’. Dat wil zeggen, naar de cabine waar ze verblijven in het kamp. Het team gaat op de stretchers in de cabine liggen, klaar om paraat te zijn mocht er een noodgeval zich aandienen.
Om 04.20 uur wordt er op de cabine van gebonsd. Een jonge Syrische vrouw staat voor de deur. In gebrekkig Engels vraagt zij of de dokter snel mee wil komen omdat er een baby komt. De arts en verpleegkundigen rennen samen met haar door het donkere kamp, waar het nooit echt rustig is, naar een cabine. Daar treffen zijn een groep mannen aan die voor de cabine zit en binnen vinden zij een jonge vrouw die weeën heeft. Ze kennen haar niet, ze is nooit bij de medische cabine geweest tijdens haar zwangerschap.

Ze blijkt zestien jaar te zijn en al zo’n vijf uur weeën te hebben. De baby komt bijna, er moet snel gehandeld worden. Het meisje spreekt geen Engels en haar vriendin zeer beperkt. De taalbarrière is groot. Hoe fijn zou het zijn om met dit jonge meisje, in deze toch wel beangstigende situatie, in haar taal te kunnen praten. Nu moet vooral gehandeld worden zonder dat zij er bij betrokken kan worden, maar wel met het volle respect voor haar en haar komende baby.

Er zijn geen medische spullen om de bevalling veilig te laten verlopen en dus wordt de ambulance gebeld. Deze is er gelukkig vrij snel. De vriendin, de arts en de verpleegkundige gaan mee met de ambulance. Zal het goed gaan? Wordt het kind in de ambulance geboren of zijn ze op tijd in het ziekenhuis? Hoe houden dit zestienjarige Syrische meisje en haar baby zich tijdens de rit naar het ziekenhuis? Dit meisje blijkt zo dapper en sterk te zijn!

Bij aankomst in het ziekenhuis nemen de Griekse verpleegkundigen het over. Niemand mag met het Syrische meisje mee naar binnen. Er is dan niemand die zij verstaat en niemand die haar verstaat. Zonder familie of vriendinnen brengt zij in een vreemd land, te midden van een Griekse arts en verpleegkundige, haar zoon ter wereld. Moeder en zoon zijn gezond en maken het goed. Na vijf dagen ziekenhuis keren ze te samen terug naar het vluchtelingenkamp Moria.

Tekst: Anne Wostmann
Foto: Arie Kievit