Geen Suikerfeest in de vluchtelingenkampen op Lesbos

De Ramadan is bijna een week voorbij en dit betekent feest voor velen moslims over de hele wereld. Behalve op Lesbos. Daar heeft niemand het Suikerfeest gevierd afgelopen week en bleef het rustig in de kampen op het Griekse eiland.

Aan het einde van de Ramadan sluiten moslims de periode van vasten jaarlijks af met een groot feest: Eid al-Fitr. Het Suikerfeest dat drie dagen duurt gaat gepaard met zoete heerlijkheden, mooie kleren en veel vrolijkheid. Ook in de vluchtelingenkampen Kara Tepe en Moria deden veel moslims de afgelopen maand mee met de Ramadan. Dit jaar was het extra zwaar omdat de Ramadan viel in een periode met veel daglicht en warmte, zeker op Lesbos.

‘We hadden ons heel wat voorgesteld van Eid al-Fitr. We gingen naar kamp Kara Tepe, waar veel families verblijven, om het feest met hen mee te vieren. Tot onze grote verbazing zagen we alleen een meisje in een mooi jurkje lopen en verder was er niks’, vertelt Hetty, Medisch coördinator. Het team van Stichting Bootvluchteling deed een rondje door het kamp en ging met verschillende mensen in gesprek. Al snel werd duidelijk waarom dit bijzondere feest niet op Lesbos wordt gevierd. ‘Eid al-Fitr doen we hier niet, dat doe je thuis’, vertelde een van de vluchtelingen aan Hetty.

‘Pas toen viel het kwartje. Wij als hulpverleners proberen het leven van de bewoners hier zo comfortabel mogelijk te maken. De werkelijkheid is dat de meesten van hen hier langer zijn dan wijzelf. Bij ons geeft dit de indruk dat dit hun tijdelijke huis is, maar zij denken hier totaal anders over en zien deze plek niet als thuis’, legt Hetty uit.

Geen Suikerfeest voor de vluchtelingen op Lesbos dit jaar. Wij hopen dat zij volgend jaar wel op een plek mogen zijn die zij ‘thuis’ kunnen noemen. Om weer mee te kunnen doen met alle feestelijkheden en een nieuw leven op te bouwen.

Foto: Bas Bakkenes

De charmante hooligan

Hij heeft een hip kapsel, brutale ogen en het temperament van een Russische straatvechter.

De laatste dertien maanden speelde zijn leven zich af in een vluchtelingenkamp op Samos. Een plek waar gemotiveerde vrijwilligers leuke spelletjes verzinnen, voetballen en proberen om persoonlijke aandacht te geven aan de aanwezige kinderen. Maar ook een plek waar boze, gefrustreerde mannen hakenkruizen in hun haar scheren om de wereld een dikke middelvinger te geven. Een plek waar kinderen soms een mes bij zich dragen. Een plek die in een jungle verandert wanneer de lichten uit gaan.

Hij is hier met zijn moeder en zijn zussen. Dwars door landen heen geworsteld, letterlijk tegen grenzen aanlopend en uiteindelijk beland op Samos. En ondanks dit is het een weergaloos mannetje. Hij weet precies wat hij zeggen moet om vrijwilligers om zijn vinger te winden. Perfect doseert hij lachjes, handjes en boksjes om zichzelf in een betere positie te verkrijgen, of vaker nog, uit de problemen te houden.

Voetballen met deze jongen is een zegen en een hel. Hij kan weergaloze solo’s geven en fantastische goals maken. Maar hij pingelt ook al zijn teamgenoten voorbij, pakt ballen af van zijn eigen keeper en speelt alleen goed mee als hij aan de bal is. Wanneer er een conflict dreigt, rollen er op waanzinnig tempo Arabische woorden uit zijn mond die ontaarden in een handje, aaitje en vuil knipoogje of een knokpartij die ze in Russische voetbalstadions wel kunnen waarderen. Als de vlam eenmaal in de pan is geslagen, gaat alles en iedereen aan de kant.

Zo ook zaterdag.

Drie vrijwilligers een een tolk zijn nodig om hem in bedwang te houden. We proberen de jongen van het veld af te halen, richting een bankje naast de medische container. Na een goed kwartier worstelen en kronkelen hebben we hem eindelijk onder controle. Hij vraagt om een beker water en ik denk: fijn, hij kalmeert. Maar als een volleerd bokser knijpt hij in het bekertje en gooit alles in zijn eigen gezicht.

In mijn hoofd hoor ik een grote gong en een stem: ROUND 2.

Gaan we weer. Kronkelen en worstelen. Nu maar de medische cabine in. De dokter en de patiënten moeten maar even in de ruimte ernaast gaan zitten. We proberen wat vragen te stellen over andere onderwerpen dan de wedstrijd. Na drie vragen opent hij z’n mond en deelt ons mee dat als wij in gedachten hebben om hem af te leiden met onze domme vragen, dat echt niet zal gaan lukken. Gelukkig kan ik ook koppig zijn.

We krijgen uit hem waarom hij zo furieus is. De jongen die hij aftroefde op het veld, beledigde zijn familie en in het bijzonder zijn vader. De dood van zijn vader is de reden dat hij moest vluchten met zijn moeder en zus. Hij was er getuige van dat ook volwassen mensen problemen oplossen met geweld. Helaas hebben sommigen van ons deze softwarefout. Iedereen heeft bepaalde knopjes die, wanneer ze worden ingedrukt, leiden tot de slechtste versie van jezelf. We hebben uitgelegd dat, hoe waanzinnig moeilijk dit ook is, dit alleen maar meer schade maakt aan jezelf. Schade die je niet meer kunt herstellen.

Ik noem het voorbeeld van Zidane en Materazzi in de de EK-Finale van 2006. Zidane liet Materazzi zijn knoppen indrukken, zodat een weergaloze sportman zijn allerlaatste finale beschamend moest verlaten met rood op zak. De schade aan Zidane was een miljoen keer groter dan de schade aan Materazzi.

De brutale ogen kijken me fronsend aan. Ik houd mij kalm, maar het voelt alsof ik scoor. Hij knikt, kijkt de dokter aan en deelt mee dat het tijd is om zijn bloeddruk op te meten.

De dagen erna is de jongen de hele dag te vinden rond de milkroom. Voor ik het door heb, staat hij naast mij en vertaalt al het Arabisch en het Engels. Als zijn voormalig tegenstander voorbij wandelt en hem spottend aankijkt, verstrakken zijn blik en kaak, maar hij geeft geen kick.

Twee dagen geleden kwam hij langs om afscheid te nemen. Zijn familie neemt de boot naar Athene. De toekomst daar lijkt mij net zo somber als hier, maar de familie heeft hoop. Ik ga hem oprecht missen, die kleine charmante hooligan.

Tekst: Rik van Egmond
Foto: Henk van Lambalgen Photography

Een luisterend oor in kamp Moria

De medische shift is al een paar uur bezig als er ineens hard op de deur wordt geklopt. Er staat een man voor de cabine die ons bezorgd uitlegt dat zijn vriend een overdosis medicatie heeft genomen en bewusteloos in één van de barakken ligt. Het is een noodgeval en er is hulp nodig, legt hij uit. Het team reageert direct en rent heen en weer om de juiste medische apparatuur te verzamelen. Een paar seconden later rennen ze het kamp in met een bloeddrukmeter, een glucosemeter en een walkietalkie. Samen met een andere vrijwilliger blijf ik bij de medische cabine om de rust te bewaren.

Even later wordt de bewusteloze man binnengedragen. Ik herken hem. Vorige week werd hij aan handen en voeten binnengedragen door vier vrienden om dezelfde reden, een overdosis aan medicatie. Toen moesten we met zijn vieren ervoor zorgen dat hij zichzelf niet zou beschadigen, door elk een arm of been vast te houden. Nu beweegt hij niet. Eén van onze doktors spreekt Arabisch, waardoor er direct gecommuniceerd kan worden met de vrienden van de man. Het slachtoffer heeft een chronische ziekte en moet van de dokter naar het ziekenhuis om hem te laten checken.

De bezorgde vrienden willen niet dat hij wordt meegenomen door de ambulance. ‘Zie je die snee in zijn nek?’, vraagt één van zijn vrienden. ‘Die snee is van de vorige keer toen hij in het ziekenhuis was. Toen probeerde hij zijn keel door te snijden. Hier in het kamp letten wij op hem, zodat hij geen gekke dingen doet. In het ziekenhuis kijkt niemand naar hem om’, vertelt de man. Uiteindelijk komt toch de ambulance en wordt hij meegenomen.

Een paar minuten later ga ik koffie halen bij het geïmproviseerde koffiestalletje in Moria, opgezet door een vluchteling. Een vriend van de zojuist afgevoerde man spreekt mij aan. Hij is boos, nee, hij is woest. Niet op mij als persoon, maar op de situatie waarin hij, zijn vrienden, en iedereen hier zit. Over de valse beloften van Europa, over de zogenaamde mensenrechten die hier zouden zijn, over het feit dat ze als beesten op een hoopje wonen, over de onmenselijke situatie voor iedereen die in dit kamp zit en de niet te bevatten uitzichtloosheid van zijn leven, en daarmee het leven van iedereen die hier zit. ‘Zie je dit, dit is de achtste keer dat mijn vriend dit doet, dat komt er van.’ Ik luister naar hem en zwijg.

Hij vraagt of ik even mee wil komen, een paar minuten. Dat wil ik. Hij leidt mij een donkere tent in en schijnt met de zaklamp op zijn telefoon, zodat ik de binnenkant kan zien. Ik zie een tent zoals ik die al, jammer genoeg, veel vaker heb gezien: acht matrassen op een veel te klein oppervlak, een paar kleden, voor de rest niks. ‘Zie je dit? Dit kan toch niet! En ruik je dit? Het stinkt!’ Hij heeft gelijk.

We staan weer buiten en de man raast boos door. Na een paar minuten slaakt hij een diepe zucht. Het is stil. Dan zegt hij: ‘Dankjewel. Dankjewel dat je naar mij geluisterd hebt. Niemand hier luistert naar ons. Duizendmaal sorry dat ik zo boos was.’ Ik vertel hem dat hij alle recht heeft om boos te zijn en dat ik blij ben dat hij zijn woede heeft geuit op deze manier. Aan de ene kant is het mooi, dat ik door een simpele handeling als luisteren hem kan helpen. Aan de andere kant is het diep triest, dat een simpele handeling als luisteren hetgeen is dat zo veel mensen in kamp Moria zo hard nodig hebben en dat daar zelfs een tekort aan is.

Op mijn laatste dag op het eiland hoor ik van een andere vrijwilliger dat de man, die al meerdere malen een suïcidepoging heeft gedaan, een versneld proces heeft gekregen met betrekking tot huisvesting en psychologische zorg. Er loopt een traan over mijn wang. Ik weet niet of dat van blijdschap of van verdriet is. Ik ben blij, dat hij waarschijnlijk binnenkort ergens anders dan in Moria gehuisvest wordt. En ik ben verdrietig, omdat het blijkbaar nodig is dat iemand acht keer een suïcidepoging moet doen voordat hij een miniem stipje op de radar wordt.

Ik heb mij in de afgelopen weken verbaasd over de diversiteit aan mensen die in het kamp zitten. Over de vriendelijkheid, gastvrijheid en intelligentie in dit kamp. Ik heb geen slecht mens ontmoet en mij er altijd veilig gevoeld, ondanks dat het een stukje hel op aarde is. Vol wijze lessen, gedachten en tegenzin keer ik terug naar Nederland. Mij bewust als nooit te voren van de dagelijkse vanzelfsprekendheden in mijn leven die voor zoveel mensen op de wereld niet vanzelfsprekend zijn.

Tekst: Eefje Boot
Foto: Henk van Lambalgen

NIEUWS | Anke vertelt over de aardbeving op Lesbos

‘We stonden op het punt te vertrekken richting kamp Moria voor de medische shift, toen ineens alles in het huis begon te schudden. Potjes vielen op de grond, alles bewoog en ik dacht dat het huis ging instorten. Ik raakte helemaal verstijfd en hoorde op de achtergrond iemand schreeuwen; ‘Ren naar buiten, ren naar buiten!’ Het was heel raar. Je probeert je evenwicht te houden, maar alles beweegt.’

Anke, administratief coördinator, maakte gisteren de aardbeving op Lesbos mee. In twintig seconden tijd raakte een aantal gebouwen zwaar beschadigd en is een aantal mensen gewond naar het ziekenhuis gebracht. De aardbeving had een kracht van 6.3 en was volgens diverse bronnen zelfs te voelen in Athene.

Anke vertelt dat alle vrijwilligers op tijd buiten stonden en dat er geen grote schade in het vrijwilligershuis is. Iedereen is flink geschrokken, maar maakt het verder goed. In twee shifts is het team van Stichting Bootvluchteling direct naar de kampen Kara Tepe en Moria gereden om de toestand daar te bekijken.

‘Er kwam direct iemand naar me toe in kamp Moria: ‘Sister, sister! Ground shaking! My friend don’t want to die’, zei hij tegen me. Ik had een kort gesprekje met hem en wist hem gerust te stellen. Hij was vooral geschrokken. De sfeer in het kamp vond ik verder goed. Iedereen was rustig en er was totaal geen paniek. Ook is er geen directe schade. Wel vertelden vluchtelingen mij dat deze trilling hetzelfde voelde als die van een bomaanslag. Ik denk wel dat dit oude herinneringen naar boven haalt’, vertelt Anke.

De situatie in de kampen is volledig onder controle en alle vrijwilligers en vluchtelingen maken het goed. De aardbeving heeft veel schade aangericht in twee dorpen op Lesbos. Wij leven mee met alle eilandbewoners die gewond zijn geraakt of veel schade hebben aan hun huis en tijdelijk in tenten slapen.

*De foto’s bij dit bericht werden door een medewerker van United Rescue Aid met ons gedeeld en zijn gemaakt in Vrisa op Lesbos.

Het gezicht achter de vluchteling

Sinds ik op Lesbos ben aangekomen heb ik zoveel dingen meegemaakt, het is teveel om op te schrijven. Desondanks voelt veel al als vertrouwd en normaal aan. Het is raar om te merken hoe snel dat gaat. Ik zie dat ook in de verschillende kampen: mensen passen zich razendsnel aan en leren door te overleven en visa versa.

Soms verbaas ik mij over al het talent in de kampen wat ‘op pauze’ staat omdat mensen gevlucht zijn en hun leven zo goed als stilstaat. Al deze vluchtelingen zijn mensen met dromen, verlangens, talenten, gevoelens, familie, vrienden en bezittingen. Iemand die een levensgevaarlijk risico genomen heeft, veel geld betaald heeft en zelfs zijn lichaam gegeven heeft om te komen waar hij nu is.

En voor wat? Een plek waar vriend, vijand en vreemdeling is. Een plek waar een wirwar van hulporganisaties en overheden het voor het zeggen hebben, met mensen die je in het algemeen niet verstaan. Een plek waar je vaak alleen bent met je gedachten, gevoelens en verleden. Waar je van radeloosheid soms niet weet wat je moet doen, en soms jezelf maar wat aandoet zodat je pijn binnenin niet hoeft te voelen.

Voor mij is die persoon na deze periode op Lesbos nu iemand met een naam en gezicht. Iemand waar ik mee gepraat heb, iemand die ik verbonden heb en mee verbonden ben, waar ik mee gelachen heb of iemand die ik getroost heb. Sommigen van hen staan al meer dan een jaar stil. Dat is voor mij niet voor te stellen. Over drie dagen sta ik weer op Schiphol en gaat mijn leven verder. Ik heb de mogelijkheid om mijn dromen waar te maken, om mijn leven te leven, mijn geloof uit te dragen, om op vakantie gaan en te genieten van het leven.

Ik hoop en wens voor hen allemaal dat er een dag komt dat zij weer verder kunnen, vooruit in plaats van achteruit. En ik wil jullie vragen om niet te snel te oordelen wanneer een vluchteling aankomt in Nederland. Praat en luister naar hem, hoor zijn verhaal en voel de pijn, het verdriet, zie de offers die zijn gebracht om hem te brengen waar hij nu is. Zorg dat die persoon een naam en een gezicht krijgt. Het zal je veranderen.

Tekst: Natasja Arens
Foto: Henk van Lambalgen Photography

Een lach maakt een wereld van verschil

Vandaag heb ik samen met James, een mede-vrijwilliger, een dagdienst in Kara Tepe, een vluchtelingenkamp waar kwetsbare vluchtelingen zoals vrouwen, kinderen en ouderen verblijven. Gelijk bij binnenkomst hangt er al een hele andere sfeer dan ik gewend ben in Kamp Moria. Er is geen prikkeldraad of hoge muren maar ik zie kinderen die aan het spelen zijn, kleurrijke cabines, speeltoestellen en zitzakken. James en ik installeren ons in de medische cabine en krijgen al snel gezelschap van een vriendelijke Syrische vrouw uit Aleppo die voor ons zal vertalen.

Onze eerste patiënten zijn drie kleine kinderen die onze cabine overnemen: zij zijn de dokter en wij de patiënten. Ik krijg de diagnose: “Very, very sick”, nadat ze met een stethoscoop naar mijn hart hebben geluisterd. James krijgt als medicijn een klap op zijn wang toegediend. Het is heerlijk om even iets anders te doen.

Dan komt er een Syrische vrouw binnen met twee kinderen. Ze vertelt dat ze pas een dag in het kamp zijn en ik bedenk me dat toen ik een vrije dag had, deze vrouw samen met haar twee kinderen de oversteek waagde vanuit Turkije. Het jongetje heeft behoorlijk eczeem en krijgt wat zalf mee. Het meisje heeft een ander probleem: haaruitval! Ze heeft grote kale plekken verborgen onder haar verder dikke bos haar. Terwijl moeder vertelt hoe de haaruitval is begonnen met de bombardementen en dat ze sinds die tijd ook heel erge nachtmerries heeft, kijkt het meisje naar mij met haar donkere kijkers en een scheef lachje aan.

Als medici kunnen we hier niet veel aan doen, de stress zal misschien wat afnemen nu ze op Lesbos is aangekomen. Maar waarschijnlijk zal andere stress er voor in de plaats komen.
We adviseren moeder om het meisje aan te moedigen om met haar en de vrijwilligers er over te praten en ook om haar te laten spelen met andere kinderen. Verder kunnen wij op dit moment niets voor haar doen. Ze is nog maar acht jaar oud, ik vraag me af hoe het over een jaar met haar zal gaan.

Later die dag komen er twee vrouwen langs de cabine die gezwommen hebben in zee en beide in zee-egels zijn gestapt. Hangend boven een paar voeten en gewapend met een spuit lidocaïne, naalden en een scalpel, zijn James en ik meer dan een uur bezig om alle stekels te verwijderen.

Mijn vaardigheden als ‘zee-egel stekel verwijderaar’ komen de volgende dag in kamp Moria opnieuw van pas. Samen met Marike (een huisarts uit Nederland) hebben we heel wat stekels uit de voeten van een nogal kleinzerige Syrische jongen gehaald. Hij schreeuwt bijna het hele kamp bij elkaar, maar moet er zelf ook wel een beetje om lachen. Als het achter de rug is filmt hij vol trots zijn voet om het aan zijn moeder te laten zien. Ook ik moet op het filmpje. Ik vertel zijn moeder dat hij heel dapper was en niet gehuild heeft, waarop de jongen weer in lachen uitbarst.

Zo wisselen de verhalen zich hier af. Soms schrijnend, wrang, verdrietig en uitzichtloos. Maar soms ook hoopvol, vol veerkrachtige mensen, positiviteit en een lach. Ik hoop en wens dat het laatste hier zal toenemen hier op Lesbos en het eerste steeds meer zal verdwijnen.

Tekst: Natasja Arens
Foto: Bas Bakkenes

Een dagje vrij

Na die bizarre nachtdienst van mijn vorige blog volgden twee rustige nachtdiensten. Zulke avonden houden vooral in dat er veel paracetamol, diclofenac en zout water voor loopneuzen wordt voorgeschreven. De mensen kunnen hier slecht slapen door het vele lawaai, stof en hun eigen gedachten. Vaak komen ze vooral om even hun hart te luchten en wat afleiding.

In mijn vorige blog schreef ik over een jongen die met een ambulance werd afgevoerd naar het ziekenhuis. Hij is weer terug in het kamp en hij komt beide nachten eventjes langs. De eerste keer zegt hij wel honderd keer ‘I’m so sorry, please I’m so sorry!’ Het blijkt dat hij de broer is van de jongen die die nacht ook is behandeld, dus ook zijn moeder is overleden. Ik zeg tegen hem dat ik het heel erg voor ze vind en vraag of zijn moeder ziek was. Maar dat blijkt niet het geval. De jongen heeft ‘problemen’ in zijn dorp en zijn moeder is daarom vermoord. Ik val stil, ik weet niet wat ik moet zeggen. Verder dan; ‘I’m so sorry’, kom ik uiteindelijk niet.

Het is verschrikkelijk dat deze mensen hier zo lang in een kamp zitten en moeten wachten, maar waar ze voor zijn gevlucht is ook iets wat hen kan blijven achtervolgen. Ik kan me niet voorstellen hoe verscheurd deze mensen zich moeten voelen.

Na mijn laatste nachtdienst heb ik een dag vrij. Ik besluit een auto te huren en een rondje over het eiland te maken. Het is een prachtig eiland met honderden olijfbomen, velden vol met klaprozen, bergen en bijna overal zie je de azuurblauwe zee. Het uitzicht is prachtig over de zee. Turkije lijkt hier maar een paar zwemslagen vandaan. Terwijl ik zo in de natuur rondrijd, raak ik aan het denken. Ik besef door mijn ervaringen hier met de vluchtelingen steeds meer wat vrijheid betekent en Bevrijdingsdag had dit jaar daarom een extra diepe betekenis voor me.

Tekst: Natasja Arens
Foto: Henk van Lambalgen Photography

Wat een jaar Moria met je doet

De medische dienst start rustig, er wordt veel paracetamol en diclofenac voorgeschreven en er wordt vooral veel gepraat. Om 2.00 uur besluiten de artsen Reem, James en ik om wat slaap te pakken. Dat lukt bijna, totdat er opeens hard op de cabine wordt gebonkt en er om een dokter wordt geroepen. Een groep jongens van een jaar of twintig staat te schreeuwen voor de cabine, een van hen heeft uit frustratie tegen een raam geslagen en waarschijnlijk zijn pink gebroken. Een vrijwilliger herkent de jongens van de nacht ervoor, toen had een van hen zichzelf gesneden. James heeft de situatie snel onder controle en er is bewaking aanwezig, dus Reem en ik besluiten om de cabine weer in te gaan en weer te gaan slapen.

Wanneer James ook weer op bed ligt klinkt er opnieuw geschreeuw, nu brengt de groep een jongen binnen die zichzelf behoorlijk heeft toegetakeld aan zijn arm. Terwijl James hem onderzoekt staan de jongens om ons heen in verschillende talen te roepen. Veel begrijpen we er niet van maar een zin wordt telkens herhaald: “this is what one year of Moria does to you!”

De jongen wordt ineens wakker en slaat keihard met zijn hoofd tegen de muur. James en ik doen ons best om hem te kalmeren. Een jongen die naast me staat vertelt dat de moeder van de patiënt vandaag is overleden. Terwijl de jongen nog eens met zijn hoofd en vuisten tegen de muur slaat en ik hem probeer te kalmeren klinkt er weer kabaal van buiten. De politie brengt een andere jongen binnen in de andere cabine. Voordat Reem er maar iets van kan zeggen leggen ze hem op mijn stretcher, onder het bloed, want ook hij heeft zich nu gesneden.

De jongen die door James behandeld wordt is inmiddels wat gekalmeerd, zodat James hem kan verbinden. Ik besluit om Reem te gaan helpen. Het is in zijn medische cabine een chaos van politieagenten, vluchtelingen, geschreeuw en een boel bloed in een veel te kleine ruimte. Reem en ik proberen iedereen naar buiten te sturen zodat we de jongen kunnen onderzoeken. Maar deze jongen zit er helemaal doorheen, telkens springt hij op vanuit het niets om zichzelf hard met zijn hoofd tegen de muur aan te gooien. Het is een verschrikkelijk gezicht! Alsof hij niets liever wil dan zichzelf knock-out te slaan. We besluiten hem iets te geven om rustig te worden, een injectie. Hij smeekt ons om het niet te doen. We beloven hem niets te geven als hij toezegt om rustig te blijven, hij knikt.
Maar dan springt hij opnieuw op en zijn er vier agenten nodig om weer onder controle te krijgen. Uiteindelijk besluiten we hem alsnog te injecteren.

We overleggen met de politie of ze de ambulance willen bellen en we proberen uit te leggen dat deze automutilatie niet zal stoppen. De politie is ervan overtuigd dat dit mede door de drank komt en het kost ons best wat overredingskracht om ze uiteindelijk zover te krijgen een ambulance te bellen.
Als later de ambulance eenmaal weggereden is blijven James, Reem en ik verslagen in de puinhoop achter. Terwijl we de boel schoonmaken en opruimen spreken we alles nog een keer door. We komen tot de trieste conclusie dat dit probleem er morgen waarschijnlijk weer is, misschien wel bij dezelfde jongen. Want: “This is what one year of Moria does to you!”

In gedachte ben ik even bij mijn eigen zoon Michel. Hij heeft dezelfde leeftijd als deze gasten. En ik kan alleen maar dankbaar zijn dat dit niet zijn lot is, dat hij een goede toekomst heeft en dat hij een thuis heeft.

Tekst: Natasja Arens
Foto: Bas Bakkenes