Athene – Wij geven Europa een gezicht

Het is kwart over vijf in de morgen. Met slaperige ogen en een stationcar vol waterflesjes, luiers en toiletspullen wacht onze crew op de aankomst van de eerste boot van de dag.

Herkomst: Lesbos. Aantal passagiers: een stuk of 1.500.

Een droog getal, nu nog wel. Over een half uur zal dat anders zijn. Krijgt het aantal een gezicht. Krijgen gezichten een stem. Worden het mensen zoals wij, die op zoek zijn. Naar iets dat hun dorst kan lessen, naar een warm bed na een lange reis. Naar antwoorden op vragen. Naar een plek onder de zon.

We zijn niet de enigen die de boot opwachten. We worden vergezeld door een Zwitsers team dat soep uitdeelt. Maar ook door hosselaars danwel aasgieren van busmaatschappijen die naar de Macedonische grens rijden: de volgende stap in de vluchtelingenroute naar het Westen. Als een soort Japanse gidsen steken ze bordjes in de lucht om zich straks in de menigte zichtbaar te kunnen maken. 

Verder is er in de haven niemand te bekennen. Geen Griekse overheid of instantie, geen Rode Kruis, UNHCR of andere hulporganisatie. De mensen die hier straks in het voor hen vreemde land arriveren, hebben geen flauw benul waar ze heen moeten. Er is chaos en geen enkele vorm van informatie. Dat maakt hen tot een makkelijke prooi voor mensenhandelaren. En het maakt ons kleine provisorische team tot de enige verstrekkers van betrouwbare informatie.

5.40: de boot komt aan. Het is de eerste van de vijf schepen die vandaag zullen arriveren. Langzaam gaat de laadklep open. Met een plof valt het neer op de kade. Het laadruim staat zwart van de mensen. Slechts een dik touw scheidt hen nog van het vaste land van Europa.

Het touw gaat aan de kant, de massa stroomt het schip uit. Ertussen loopt af en toe een verdwaalde backpacker of Griekse reiziger: officieel is dit gewoon een ‘normale’ ferry. We lopen op de menigte in en proberen zoveel mogelijk mensen te voorzien, vrouwen en kinderen eerst. We hebben niet genoeg voor iedereen, maar doen wat we kunnen. Dat levert dankbare gezichten op.

Toch voelt het soms zo zinloos, zo banaal. Wat is een flesje water of een luier nou waard? Ben ik daarvoor naar Griekenland gekomen? Het voelt klein en zo weinig betekenend, druppels op de gloeiende plaat. Nog los van de vraag of Europa al deze mensen uiteindelijk wel kan helpen en of hun reis wel zin heeft gehad. 

Het is zo complex. Maar hoe het ook zij: deze mensen zijn nu hier. En ze zijn moe, ver van huis en dorstig. Reiken wij hen de hand uit, of laten we ze in de kou staan?

Op deze vroege morgen geven wij Europa een gezicht. Zijn we de hoogstpersoonlijke vertegenwoordigers van de vriendelijkheid.

Want hoe kouder de nacht, hoe meer een glimlach kan verwarmen.

Door Rebecca van de Kar