Het verhaal van een dokter: in de ‘dagelijkse hel’ van vluchtelingenkamp Moria

Na een week waarin anti-rellenbrigade botsten met groepen migranten, vertelt een medicus haar aangrijpende verhaal over het leven als vrijwilliger in dit beruchte Griekse opvangkamp. 

Door: Annie Chapman

Op het Griekse eiland Lesbos is er vluchtelingenkamp Moria, opgezet voor 3.100 mensen maar nu met een populatie van meer dan 20.000 mannen, vrouwen en kinderen. Het is een plaats geworden vol geweld, ontbering, lijden en wanhoop. Ik ben een dokter uit Londen en heb net drie weken gewerkt voor Stichting Bootvluchteling (Boat Refugee Foundation, BRF). Dit was mijn derde keer daar – en mijn schokkendste. 

BRF is de enige partij die voorziet in medische noodhulp voor het hele kamp in de avonduren van 4 tot 11 uur. Deze duizenden kwetsbare mensen wonen verspreid over de omringende olijfboomgaarden in provisorische tenten, die verhoogd zijn met behulp van houten pallets om te voorkomen dat de kou van de bevroren grond in hun vermoeide, pijnlijke lijven sijpelt. De meesten hebben een hachelijke reis ondernomen om naar deze onveilige plek te komen; 40% van hen zijn kinderen. Zonder BRF, weet ik dat elke dag van de drie weken dat ik er was, velen van hen zouden zijn overleden: volwassenen – zowel mannen als vrouwen – aan de gevolgen van de gewelddadige steekpartijen, gestabiliseerd door medici die kort worden getraind in ‘stop het bloeden’; kinderen aan een nieuwe uitbraak van meningokokken, waarbij de koorts ‘s nachts in hun tent gevaarlijk stijgt; kwetsbare vrouwen tijdens hun bevalling; vier dagen oude baby’s die in de vrieskou slapen in tenten. 

Dagboek
Ik heb een dagboek bijgehouden van de gevallen die ik zag omdat ik dacht dat het me zou opluchten om, na de chaos, terug te lezen over een of twee heftige incidenten, zodat ik het zelf makkelijker zou kunnen verwerken. Ik besefte toen nog niet hoeveel de gebeurtenissen van slechts één dag zouden zorgen voor een brok in mijn keel als ik ze zou herlezen. En de dag erna, en de dag daarna. Ik wil je vertellen over een dag in het leven van de kleine mobiele kliniek waar ik werkte. Ik ben de verteller van de verhalen van de mensen die daar nog zijn; dit gaat niet over mij.

Mensen wachten uren lang buiten de met hekken van kippengaas afgezette kliniek, voordat we om vier uur opengaan, hopend met een dokter te kunnen spreken over de uitslag die hun kind heeft, de buikpijnen in hun zwangere buik, hun hallucinaties en flashbacks terug naar het geweld dat ze hebben gezien, hun slaapproblemen, hun jeuk door het ’s nachts dragen van luiers uit angst om naar het toilet te moeten in het pikdonkere kamp. Er is de afgelopen tweeënhalve maand geen betrouwbare elektriciteitsvoorziening geweest in het kamp (met 20.000 mensen die een voorziening gebruiken die bedoeld is voor 3.000, zijn er voortdurend kortsluitingen en kun je er niet van op aan dat het langere tijd werkt), en de dreiging van geweld en seksueel geweld is ontzettend hoog. Vrouwen en minderjarigen dragen vrijwel allemaal luiers om te voorkomen dat ze hun tent moeten verlaten nadat de zon is ondergegaan.

Dokter Annie Chapman aan het werk in het ‘gele’ gedeelte van de kliniek.

Ze komen met wonden die zijn geïnfecteerd en die moeten worden schoongemaakt en verbonden; ze hebben amper toegang tot schoon water in de olijfboomgaarden. Ze komen met de beruchte ‘Moria griep’ en een hele reeks van chronische problemen die je normaal gesproken zou verwachten in een populatie van deze omvang. Iedereen met chronische problemen wordt geadviseerd om overdag terug te komen: deze kliniek is er alleen voor acute klachten, voor spoedeisende hulp. En we werken op volle capaciteit.

Patiënten kunnen alleen binnenkomen met hun papierwerk, ook wel Ausweis genoemd, waarin hun foto, naam en nummer zijn opgenomen. Triage gebeurt bij de deur door een medicus met daarbij een vertaler in Farsi en Arabisch. ‘Groene’ patiënten hebben spoedeisende hulp nodig; ‘gele’ patiënten zijn ernstig ziek met abnormale vitale functies en hebben een volledig onderzoek nodig op een bed; ‘rode’ patiënten lijden over het algemeen aan ernstige paniekaanvallen, extreme pijn, aanvallen en – steeds vaker – levensbedreigende steekwonden of de resultaten van andere vormen van geweld. 

We zijn een team van over de hele wereld – toen ik op Lesbos was, was er een mix van Nederlandse, Franse, Engelse, Amerikaanse en Spaanse dokters, verpleegkundigen en ondersteunende medewerkers. We werkten samen met onze vertalers (vluchtelingen die zelf in het kamp wonen, die dagelijks vrijwilligerswerk doen in ruil voor buskaartjes, beltegoed, opleiding en avondeten aangezien ze niet in de rij voor eten kunnen staan wanneer ze voor ons werken) uit Afghanistan, Syrië, Iran, Somalië en Congo. Samen zijn we het team van de kliniek en samen reageren we op de menigtes die binnenkomen. 

‘Rode’ patiënten
De namen van de patiënten die we gaan zien worden geschreven op een whiteboard, in volgorde van prioriteit en we roepen ze een voor een binnen. De kliniek heeft twee kamers, verdeeld over vier onderzoeksgedeeltes. Het is eenvoudig maar functioneel. We hebben dozen met de belangrijkste dingen voor consulten – zuurstofsaturatiemeters, bloeddrukmeters, thermometers en oftalmoscopen. Wanneer de nacht valt en de temperatuur daalt, stoppen de thermometers en zuurstof- en hartslagmeters vaak met werken wanneer de triagedokter ze buiten de kliniek gebruikt, dus gedurende de dienst verwisselen ze met degene die we binnen hebben. Tegen de muur staan vier bedden die we kunnen uitklappen in geval van nood, zodat we aan elke kant er goed bij kunnen bij de patiënt. Elke dag brengen we een BLS & AED tas en noodmedicatie mee naar de kliniek, die we in A1 – de spoedeisende hulp – bewaren, waar die dag de ‘rode’ patiënten worden binnengebracht met spoedgevallen. Op een willekeurige dag zien we tussen de 180 en 250 patiënten gedurende onze openingstijden. Dit zijn hun verhalen. 

Een moeder komt binnen met haar vierjarige kind met hele hoge koorts, dat al urenlang niet eet, drinkt of reageert op prikkels. Om naar de kliniek te komen moest ze door het kamp lopen over de helling van een steile heuvel, tussen UNHCR en provisorische tenten, langs de falafel winkel, de Wave of Hope for the Future school met zijn nieuwe bibliotheek, langs de kappers en de mensen die hun was doen, lang het vuilnis dat al een maand lang niet is opgehaald, langs een bende wilde honden die blaffen en achter haar aan rennen. Ze heeft geduldig staan wachten in de rij, in de kou. Zodra het hek wordt geopend komt er een golf van mensen naar voren, allemaal roepend dat ze een spoedgeval zijn, zwaaiend met hun Ausweis. 

Beelden van vluchtelingenkamp Moria genomen in juli 2017 en januari 2020 illustreren de explosieve bevolkingsgroei.

Ik roep het koortsige kind naar binnen. De moeder huilt en de vader heeft een grauw gezicht als hij met hulp van de Farsi vertaler uitlegt dat ze bezorgd zijn omdat het kind niet wil drinken en er moe uit ziet. Hij heeft gehoord dat een ander kind van een nabije tent nu in het ziekenhuis in Athene ligt met een infectie in de hersenen. Hij kijkt naar de vloer, verontschuldigt zich voor zijn komst, maar vraagt om hulp. 

Net als ik begin het kind te onderzoeken, hoor ik luide stemmen en het geluid van iemand die buiten over het grind wordt gesleept. De support medewerker bij de achterdeur roept ‘rode patiënt’ en ik verplaats het koortsige kind naar de achterzijde van de kliniek, terwijl ik het bed uittrek en ruimte maak voor het spoedgeval. Het is een bewusteloze jongeman, een tiener, die op een grijze deken hier naartoe is meegesleept door vier mensen uit de hem omringende tenten. Ze hadden hem horen roepen en schreeuwen waarna hij was ingestort, zwaar ademend en buiten bewustzijn. De mannen hebben tien minuten met hem gerend, bewusteloos in de deken, om bij het medische gedeelte te komen.

Wat heb je gezien? Wat zie je nog steeds? Ik kan het niet bevatten. En als we ze terugsturen naar hun tenten, schaam ik me. 

Ik onderzoek hem. Als ik de bloeddrukmeter oppomp, opent hij zijn ogen en krijst – een lange, continue schreeuw, gevolgd door extreme hyperventilatie en stijfheid in zijn armen. Dit is een klassieke vorm van een paniekaanval die hoort bij PTSD (posttraumatische stressstoornis), en dagelijkse kost voor de kliniek. We boffen dat we een psychiatrisch verpleegkundige in ons team hebben, en zodra een onheilspellendere pathologie kan worden uitgesloten verplaatsen we de man naar een achterkamer om te rusten en door haar te worden gezien, zodat ze verdere verwijzing en zorg te gaan plannen.

Als het gaat om geestelijke gezondheidszorg voor vluchtelingen zijn er momenteel twee manieren om de heftigste gevallen door te verwijzen, maar beide kosten tijd en hangen af van hun blootstelling aan geweld, seksueel geweld en hun voorgeschiedenis. In deze acute fase bieden we spoedeisende hulp voor deze patiënten en hun vrienden, familieleden en mede-tentbewoners, die hen ’s nachts horen gillen, en naar de kliniek slepen in dekens als ze aanvallen hebben.

Ondanks het feit dat ik dagelijks patiënten met paniekaanvallen zie, schokt het geluid van hun geschreeuw me nog steeds terwijl ik me afvraag: wat heb je gezien? Wat zie je nog steeds? Ik kan het niet bevatten. En als we ze terugsturen naar hun tenten, schaam ik me.

Ik roep het kind terug naar mijn gedeelte van de kliniek voor een volledig onderzoek. Nu ik halverwege mijn tweede week in het kamp ben, hebben we drie gevallen vastgesteld van meningokokken/hersenvliesontsteking en overwegen we een kampbreed vaccinatieprogramma. Dit kind blijft voortdurend heet en lethargisch, en heeft een uitslag die me zorgen baart. We geven hem intramusculaire ceftriaxone antibiotica en vragen een taxi hem naar het ziekenhuis te brengen. Met alleen twee ambulances op het eiland, ondanks een snelle stijging in de populatie van maar liefst 25%, is de dienst niet in staat hulp te bieden, en maken we steeds vaker gebruik van taxi’s om patiënten naar het ziekenhuis te brengen.

Een vertaler kijkt door de deur van de kliniek naar de lange rij van mensen, voorafgaand aan de triage.

Overweldigende duisternis
Ik ga verder, met de hulp van mijn vertaler, met het zien van patiënten uit de ‘gele’ rij. De meesten zijn kinderen met koorts, volwassenen met buikpijn, zwangere vrouwen, minderjarigen met schurft. Het is een drukke dag, zoals elke dag; er zijn veel mensen te zien. Zodra de zon ondergaat voel ik altijd de sfeer bij triage en binnen de kliniek veranderen. Ik voel de wanhoop en vijandigheid, die niet altijd zichtbaar is maar wel aanwezig is in mijn achterhoofd. Omdat er geen elektriciteit is in het kamp, is de duisternis buiten overweldigend. Onze kliniek is afhankelijk van het elektriciteitsnet, dat regelmatig uitvalt, en we vervolgen onze consultaties bij het licht van hoofdlampen en lampen op batterijen. 

Een heel gezin wordt naar binnen gesleept, twee van de vier kinderen bewusteloos en een verwarde vader, roepend over ‘brand’. Blijkbaar gingen ze naar een naburige tent waar een vuur was aangestoken voor warmte na zonsondergang, en zijn ze langere tijd blootgesteld aan koolstofmonoxide. We beginnen de kinderen die niet reageren zuurstof te geven uit onze draagbare cylinders, wikkelen de kinderen in nooddekens en bellen de ambulance terwijl we de anderen onderzoeken. We hebben maar twee zuurstoftanks dus rouleren we ze op basis van behoefte. Om veiligheidsredenen rijdt de ambulance na zonsondergang niet het kamp in naar de kliniek (slechts een korte afstand van de hoofdingang van het kamp) tenzij het extreme spoedgevallen zijn, dus we rennen met de kinderen naar de ambulance als die arriveert, verbinden hun maskers met de zuurstof in de ambulance en sturen hen op weg. Op het moment dat ze in de ambulance liggen komen ze weer bij, zodat we weten dat ze het zullen redden. 

Hun veerkracht en zorg voor hun medevluchtelingen ontneemt me bijna de adem

Herrie die wordt veroorzaakt door een andere ‘rode’ patiënt komt onze kant op van om de hoek van de kliniek. Dit keer worden twee jongemannen, happend naar adem en onder het bloed, binnengedragen door hun vrienden. De jongemannen komen uit de gedeeltes van de niet-begeleide minderjarigen; beiden zijn in de borst gestoken. Eén slachtoffer zoals dit in Londen zou spoedeisende traumazorg krijgen van een gespecialiseerd team, waarschijnlijk in een centrum voor ernstige trauma’s. In Moria is dit niet het geval.

Ik roep vijf doktoren en de spoedverpleegkundige naar de kliniek en we verdelen onszelf in twee teams, met twee vertalers aan elke bedrand. De meeste dokters zijn niet gewend aan steekwonden: BRF heeft nog niet specifiek geworven voor spoedeisende hulpartsen, aangezien we vooral zorg vanuit de kliniek bieden. We hebben eerder deze week als team al wat traumazorg geboden voorafgaand aan een ziekenhuisopname en krijgen bijna dagelijks met steekpartijen te maken, dus gaan we aan het werk om lijnen in te brengen en elke patiënt te evalueren. We hebben nu nog maar één zuurstoftank aangezien we de andere hebben gebruikt op de kinderen met koolstofmonoxidevergiftiging.

BRF dokters uit Nederland en België – Mirjam Wubs, Lisanne Schreuder Goedheijt met vertaler Nourullah Ishaqzi, Lucie Blondé, and Mariëtte de Reeper – werken in het ‘groene’ gedeelte.

We geven voorrang aan de jongen met de steekwond middenin zijn borst, aangezien hij herhaalde aanvallen van ademstilstand lijkt te hebben. Terwijl we wachten tot de ambulance arriveert, begint de andere jongen te gorgelen en stikken. Een van zijn longen waarin hij is gestoken vult zich met lucht en bloed. We verplaatsen de zuurstoftank naar hem, terwijl we het bloeden van de andere jongen stabiliseren, en plannen hoe we beiden op stretchers kunnen weghalen uit de kleine onderzoeksruimte. We gebruiken een naald om de druk op de beschadigde long te verminderen. Het werkt een paar minuten, en dan vult de long zich weer met bloed. We besluiten om de druk op die zijde van zijn torso terug te brengen door een incisie te maken in zijn borstkas. De spanning is weg, voor even. De vertalers – geen medici maar inmiddels gewend aan dit soort spoedgevallen – grijpen zuurstofmaskers, gazen en verband, en knijpen vloeistof naar binnen alsof ze deel uitmaken van een getraind traumateam. Hun veerkracht en zorg voor hun medevluchtelingen ontneemt me bijna de adem. 

Zo gauw de ambulance komt, smeken we hen om naar de ingang van de kliniek te komen om, zodat we de tijd dat de jongens buiten in de vrieskou zijn zo kort mogelijk kunnen houden. Ze gaan akkoord en zelf ook met het meenemen van beide jongens tegelijk – een zeldzaamheid, maar vorige week stierf een jonge man aan een steekwond en we werken samen in de donkere schaduw van die herinnering. We nemen de jongens mee naar buiten in hun nooddekens, voorzien van vloeistoffen en lijnen, op stretchers, in het volle zicht van de patiënten die wachten om gezien te worden in de koude kooi met grindvloer die onze wachtkamer is. Ik ga terug voor een debrief van het team; de vertalers zijn al bezig om het bloed van de vloer, bedden en muren te verwijderen.

We zien de volgende patiënten. We gaan door. Mensen blijven arriveren en we blijven proberen hen zo veilig mogelijk te houden, op welke manier we dat maar kunnen. 

Niet abnormaal
Als onze kliniektijden ten einde zijn wordt de verantwoordelijkheid voor de medische zorg van de patiënten in ons kamp belegd bij een eenzame ‘oorlogsdokter’, die niet door patiënten kan worden gezien tenzij de politie bepaalt dat hun medisch probleem ernstig genoeg is. Afgezien van de levensbedreigende spoedgevallen, wachten ze tot de kliniek om negen uur open gaat. Mensen verzamelen zich in de rij vanaf half zeven ’s morgens om hulp te krijgen. 

Dit is niet abnormaal. Dit is de dagelijkse gang van zaken. De dag erna viel er een 16-jarige jongen, weer vanuit de zogenaamd beveiligde gedeeltes, met het mes nog in zijn rug door de achterdeur van de kliniek. Op de laatste avond dat ik werkte zagen we vier levensbedreigende steekpartijen, inclusief een steekwond in de nek en een open borstkas. We hebben ze allemaal onderzocht en gestabiliseerd en naar het ziekenhuis gekregen. Voor zover mij bekend zijn al deze patiënten nog in leven. 

Er is nu al tweeënhalve maand geen elektriciteit in het kamp. We weten dat er een directe relatie is tussen licht en misdaad – mensen hebben gevraagd om een einde aan deze duisternis. Het heeft niet zo mogen zijn. 

Een jongen loopt over een provisorische loopbrug boven een greppel met vuilnis in een gedeelte buiten kamp Moria.

De gebieden voor niet-begeleide minderjarigen en kwetsbare vrouwen bestaan uit afgeschermde gedeeltes met daarbinnen slaapcabines, afgesloten in een veilig deel vlakbij de politie en bij de gedeeltes voor net aangekomen vluchtelingen. Ze zijn onderbezet qua personeel. Beveiligers doen hun best om de kwetsbaarsten veilig te houden, maar omdat verveling en geweld zoveel voorkomen, met medewerkers die vaak niet dezelfde taal spreken als de vluchtelingen, worden toezicht en zorg opgerekt, en blijven problemen uit de hand lopen. Met beperkte ruimte en een oneindig aantal steeds kwetsbaardere groep mensen die aankomen, waaronder veel minderjarigen en vrouwen die alleen wonen buiten de secties, lopen ze risico op misbruik, geweld en stelselmatige tekortkomingen. 

Moedeloosheid en wanhoop
De verveling in het kamp is gekmakend en het asielproces is ondoorzichtig. Zelfs zij onder ons met contacten in andere NGO’s en met advocaten komen er niet uit. Gedurende mijn tijd daar werd een van onze kalmste, loyaalste en indrukwekkendste vertalers gearresteerd na een tweede afwijzing; hij werd zonder papieren en zonder advocaat gedeporteerd. Het is ons nog steeds niet gelukt om met hem in contact te komen. We weten niet waar hij is en we kennen de details van zijn afwijzing niet. We weten dat hij niet veilig zal zijn als hij terug is in Afghanistan. Dit soort dingen zingt rond in het kamp, en draagt bij aan het gevoel van moedeloosheid en wanhoop. En de gekte duurt voort. 

Het lijden is tastbaar, de hopeloosheid verraderlijk, het gevoel van verlatenheid allesverterend. Ik heb hier niets speciaals gedaan. Ik ben gekomen om vrijwilligerswerk te doen, zoals velen voor mij hebben gedaan en velen zullen blijven doen terwijl ik terugkeer naar mijn huis, waar ik centrale verwarming heb, normaal eten dat ik zelf kan kiezen, en mijn vrijheid – en dit is me allemaal gegund door het geluk dat ik bij mijn geboorte had.

Vluchtelingenkamp Moria is op een breekpunt; de situatie staat op het punt om te imploderen. Dat zal naar binnen toe gebeuren, schade toebrengend aan de kwetsbaarste mensen in de wereld. De implosie zal waarschijnlijk een kleine rimpel veroorzaken in een explosie naar buiten, en dan vergeten worden. De wereld blijft haar rug toekeren. We moeten het gesprek wederom aangaan, we moeten zorgen dat we verantwoordelijkheid nemen voor onze medemensen. Ik heb geen oplossing, maar ik wil een stem geven aan deze zwijgende mensen, en hoop dat er een willend oor is, bereid om te beginnen met luisteren.

Dit artikel schreef onze vrijwilliger Annie Chapman voor de Britse krant The Guardian. Het originele artikel vind je hierVertaling: Karen Visser.

Vrijwilliger Esmée vertelt: ‘In de bittere kou ben ik door iedereen in Moria verwelkomd’

Afgelopen maand arriveerden ongeveer 7.500 mensen op de Griekse eilanden. Ze komen aan in boten vol met mensen zoals jij en ik en hebben moeten vluchten voor geweld. Ze zijn op zoek naar een veilige plek in de Europese Unie (EU) om een nieuw bestaan op te bouwen. Velen proberen via Lesbos de EU binnen te komen. Zodra ze daar voet aan land hebben gezet worden ze getransporteerd naar vluchtelingenkamp Moria. In dat vluchtelingenkamp heb ik afgelopen winter vrijwilligerswerk verricht voor Stichting Bootvluchteling.

Moria wordt in de kranten beschreven als werelds slechtste vluchtelingenkamp en wordt ook wel ‘een hel op aarde’ genoemd. De Paus vergeleek Moria zelfs met een concentratiekamp. Een opvallende gelijkenis is dat de identificatiekaart die mensen na registratie ontvangen en “Ausweis” wordt genoemd. Een rioollucht komt je tegemoet zodra je Moria nadert. Deze stank went nooit. Zodra je door de poort heen loopt, zie je de honderden tenten en containers die bijna bovenop elkaar staan. Bij deze poort ontmoet ik Mohammed, een Syrische man van 22 jaar. Hij is gekleed in een net shirt en colbertje en draagt teenslippers. Mohammed spreekt me aan zodra hij het T-shirt van Stichting Bootvluchteling herkent dat ik draag. Hij verveelt zich, zoals velen, omdat er niet veel te doen is, behalve wachten.

Hij stelt voor om mijn vertaler te zijn, gezien hij al veel mensen kent doordat hij hier al meer dan een jaar is. Terwijl we door het kamp lopen, vertelt hij zijn verhaal. Hij studeerde techniek aan de universiteit in Damascus voordat hij voor de burgeroorlog moest vluchten met zijn broer en diens zwangere vrouw. Mohammed was in shock toen hij de leefomstandigheden in Moria voor het eerst zag en dat ondanks de levensbedreigende situaties die hij onderweg naar de EU heeft meegemaakt. Hij slaapt in een kleine tent die hij met andere mannen moet delen. “Mensen leven hier zowat op elkaar. Ik heb geen ruimte voor mijzelf. Maar anderen hebben het nog erger. Mijn buren, die binnenkort een kind verwachten, slapen met z’n zessen in een kleine, lekke tent van 1,5 bij 2 meter.”

Mijn buren, die binnenkort een kind verwachten, slapen met z’n zessen in een kleine, lekke tent van 1,5 bij 2 meter

Tot op het bot verkleumd
Moria heeft een capaciteit van 3.000 mensen, maar momenteel leven er ruim 15.000, vijf keer meer dan het kamp officieel aankan. Mohammed laat mij de weinige toiletten en douches zien, evenals de foodline waar mensen soms vele uren moeten wachten op het eten. Hij vertelt me ook over de onveilige situatie in het kamp. Dit wordt onder andere veroorzaakt door gevechten tussen Arabieren en Afghanen. (Mohammeds’ broer was pas nog met een mes in zijn been gestoken terwijl hij lag te slapen).

De hekken waarachter mensen drie keer per dag urenlang in de foodline staan te wachten op voedsel.

Ook het weer draagt bij aan de onveilige situatie, legt Mohammed uit: “In de winter vriest het, regent het en stormt het vaak. We hebben geen elektriciteit en veel tenten en containers zijn lek. Hierdoor zijn we vaak tot op het bot doorweekt en verkleumd. Om enigszins op te warmen maken we kampvuren. Deze kampvuren bestaan voornamelijk uit plastic flessen omdat er te weinig hout is. Sommigen maken zelfs een vuurtje in hun tent, ondanks dat ze bewust zijn van het gevaar. Ik heb vele ongelukken met vuur gezien, maar je wil ook gewoon warm worden.”

Sommigen maken zelfs een vuurtje in hun tent, ondanks het gevaar. Ik heb vele ongelukken gezien, maar je wilt ook gewoon warm worden.

Mohammeds’ broer en zijn zwangere vrouw vinden het lastig om te blijven hopen op een beter leven: “Na alles dat we mee hebben gemaakt, zijn we te beschaamd om dood te gaan in Europa. Het is moeilijk om hoopvol te blijven en te geloven in een betere toekomst. Niet iedereen kan goed met de situatie omgaan in Moria. Veel van onze vrienden zijn daarom depressief, snijden zichzelf of drinken om de dag door te komen.”

Sleetjes van karton
Mohammed probeert om positief te blijven: “Ik zie gelukkig toch ook veel hoop om mij heen. Ik zie hoop in de kinderen die sleeën uit karton maken, of in de koffie-, kappers- en kledingzaakjes. Persoonlijk maakt het mij blij om een vrijwilliger te zijn, omdat ik op die manier anderen kan helpen.”

Ik sta versteld van de kracht die mensen zoals Mohammed hebben. De kracht die nodig is om te blijven hopen. De activiteiten van stichting Bootvluchteling, zoals een school voor kinderen en computer- en Engelse klas voor volwassenen en een bibliotheek, zijn erop gericht om deze kracht te vergroten en coping

Eén van de koffietentjes in het kamp, opgericht door kampbewoners.

strategieën om met de situatie in Moria om te gaan te verbeteren.

Ik sta versteld van de kracht die mensen zoals Mohammed hebben. De kracht die nodig is om te blijven hopen.

Stichting Bootvluchteling organiseert ook mentale welzijn workshops. Veel vluchtelingen zijn aan het begin van zo’n klas sceptisch, maar anderen komen trouw naar elke les. Een oefening die we in zo’n workshop geven, gaat als volgt: de deelnemers houden hun handen tegen elkaar en zwaaien met hun ogen dicht op de maat van de muziek. Om deze intieme oefening uit te voeren is veel vertrouwen nodig. Echter, zodra de deelnemers over die drempel zijn heengestapt, leidt het tot ontspanning en een verbeterd welzijn. Deze oefening laat zien dat het welzijn van de vluchtelingen kan worden verbeterd door dat het geven van erkenning van de inhumane positie waar ze in zitten en door vluchtelingen als mens te
behandelen.

 

Hulp is nodig
Deze inhumane positie moet veranderen! In de bittere kou ben ik door iedereen in Moria verwelkomd en uitgenodigd voor thee, avondeten, een gesprek of om mezelf bij hun kampvuur op te warmen. Deze acceptatie in hun gemeenschap in Moria maakt dat ik me nog beschaamder voel voor de houding die Europa aanneemt tegen vluchtelingen.
Door deze negatieve houding zitten mensen vast in Moria. Griekenland heeft niet de capaciteit om al die duizenden vluchtelingen humaan op te vangen. Daarom is jouw hulp nodig om de slechte omstandigheden waar mensen als Mohammed in leven te veranderen.

Je kan op verschillende manieren helpen: doneren van geld, vrijwilliger worden, of nog belangrijker: door het bewustzijn onder Europese burgers te vergroten. Door aan onze overheden te laten zien dat wij het belangrijk vinden dat de vluchtelingen op een goede manier worden opgevangen en behandeld kunnen we hen dwingen tot actie. Deze vluchtelingen verdienen het om als mensen te worden behandeld!

Disclaimer: Het waargebeurde verhaal van drie vluchtelingen in vluchtelingenkamp Moria is met hun toestemming beschreven in dit artikel. Mohammed is een fingeerde naam om de anonimiteit van de vluchtelingen te beschermen.

Tekst en beeld: Esmée Pluijmers

Hulpverlener Marijke op Lesbos: ‘Zelfs mensen met zware trauma’s kunnen niet worden geholpen ’

De situatie in het overvolle vluchtelingenkamp Moria op Lesbos loopt de spuigaten uit. Een brand waarbij een moeder en kind omkwamen, maakte dit recent nog eens gruwelijk duidelijk. Ondertussen wonen hier 13.000 veelal getraumatiseerde vluchtelingen. Psychosociaal hulpverlener Marijke Menninga zag de situatie voor haar ogen verslechteren. ‘Het is hier totáál onleefbaar.’

Met een dubbel gevoel gaat pedagoog Marijke (28) weer naar huis. Ruim een half jaar was zij op Lesbos als coördinator van de psychosociale projecten van Stichting Bootvluchteling, waaronder een school in kamp Moria en psychische ondersteuning aan getraumatiseerde vluchtelingen. ‘De situatie in Moria was altijd al heel slecht, maar is de afgelopen weken nog veel verder verslechterd. Veel verder dan ik me had kunnen voorstellen’, vertelt Marijke op haar laatste dag op Lesbos. ‘Er zijn gigantische hoeveelheden mensen, zo’n 13.000 op het moment, maar de voorzieningen zijn berekend op 3.000 mensen. Er zijn onvoldoende tenten, mensen slapen op matjes of op karton in de open lucht. Ook sanitair, voedsel, gezondheidszorg en onderwijs is er niet genoeg. Mondjesmaat worden vluchtelingen overgeplaatst naar het Griekse vasteland. Maar er komen zoveel mensen bij, dat we telkens terug bij af zijn.’

Overvol
De huidige situatie maakt veel indruk op de Groningse. Met name de grote psychische problematiek die zij ziet, baart haar zorgen. ‘Die zie je hier altijd, maar met zoveel mensen in het kamp zijn de voorzieningen zó overbelast, dat zelfs mensen met zeer forse psychische klachten niet gezien kunnen worden.’ Ondertussen wachten vluchtelingen in kamp Moria vaak maanden tot zelfs jaren op het vervolg van hun asielprocedure. Marijke zag dagelijks wat dit met mensen doet. ‘Het maakt hopeloos en moedeloos. Soms krijgen ze na acht maanden in Moria te horen dat hun eerste gesprek pas eind 2020 is. Mensen willen zo verschrikkelijk graag een veilig bestaan opbouwen, maar zitten hier vast en kunnen niets. Zij weten niet of ze straks misschien moeten terugkeren naar het land waar zij hun leven vreesden. Die dagelijkse onzekerheid te midden van deze verschrikkelijke leefomstandigheden, maakt mensen echt kapot.’

Mensen willen zo verschrikkelijk graag een veilig bestaan opbouwen, maar zitten hier vast en kunnen niets.

Om mensen steun te bieden in hun psychische nood, biedt Stichting Bootvluchteling supportgroepen, legt Marijke uit. ‘Trauma’s kunnen wij hier niet behandelen, maar wél kunnen we mensen handvatten bieden om staande te blijven in hun vreselijk ingewikkelde situatie. Daarbij werken we met vertalers, zodat mensen zich in hun moedertaal kunnen uiten. Ook doen we praktische ademhalings- en ontspanningsoefeningen, om mensen te helpen enige ontspanning te vinden in hun lijf en in hun hoofd.’

Marijke Menninga.

Beter slapen
Voelt het bieden van praktische handvatten aan getraumatiseerde mensen soms niet als pleisters plakken op een gapende wond? Marijke zucht en lacht. ‘Ja, soms wel. Want ja, de wond is zeker gapend. Maar een pleister is wel iéts. Na afloop van onze groepssessies bedanken de deelnemers je zó hartelijk. Als ik vraag hoe ze het vonden, zeggen ze vaak: dit was een uur van rust. Eén van de vrouwen vertelde me dat ze de oefeningen elke avond in haar tentje herhaalt, waardoor ze ‘s nachts iets beter kan slapen. Dan weet ik: dit is waar we het voor doen.’

Toch voelt ze zich soms ook machteloos. ‘We kunnen maar een klein deel van de mensen helpen. Op structureel niveau kan ik niets aan de situatie veranderen, dat is aan de politiek. Maar ik kan er wél voor proberen te zorgen dat het bestaan hier één procent minder mensonwaardig wordt.’

Als ik vraag hoe ze het vonden, zeggen ze vaak: dit was een uur van rust.

Rug tegen de muur
Ondertussen zeggen critici dat hulporganisaties de vluchtelingencrisis in stand houden door mensen te blijven helpen. ‘Dat idee van aanzuigende werking, daar geloof ik niet in. Want de situatie hier is totáál onleefbaar. De mensen die ik zie en spreek zijn op de vlucht voor iets dat nog vele malen erger is. Zij vreesden voor hun leven of dat van hun kinderen. Als je zó bang bent dat je ervoor kiest om de zee over te steken in zo’n bootje, dan heb je niets te verliezen. Mensen denken vaak dat vluchtelingen de keus hebben om te denken: zal ik eens gaan, of zal ik eens niet gaan. Maar deze mensen hebben geen keus, ze staan met hun rug tegen de muur.’

Hoe blijf je zelf op de been als jonge hulpverlener, onder zulke hevige omstandigheden, met gedachte dat je niet iedereen kunt helpen? ‘Soms vind ik dat wel zwaar. Maar als ik mensen spreek in onze programma’s die mij vertellen hoe belangrijk het voor hen is, zie ik: het is het waard, we moeten volhouden. Ik hoop dat wij de mensen in Moria de garantie kunnen bieden dat wij er blijvend zullen zijn met onze medische en psychosociale zorg. Met de nodige fondsen kunnen we dit garanderen. Zolang het nodig is, willen wij elke dag kunnen klaar staan.’

Wil jij ons werk steunen zodat wij getraumatiseerde vluchtelingen in kamp Moria medische en psychosociale zorg kunnen blijven bieden? Geef dan via www.bootvluchteling.nl/doneer.

 

 

Beeld: Leonie Linotte, Kenny Karpov en Arjan Lock.

Aantal mensen in Moria bereikt hoogtepunt: help ons iéts doen!

Moria is in nood. Extreme nood. We hebben je hulp nu meer dan ooit nodig.

De situatie is dramatisch, misschien wel heftiger dan ooit. Het kamp zit overvol. Momenteel verblijven er meer dan 9.000 mensen. Als het zo doorgaat gaan we volgende week over het hoogste inwonersaantal (wat we vorig jaar zomer bereikten) heen. Voor het loket met ‘new arrivals’ staan elke dag lange rijen mensen te wachten, soms wel urenlang in de brandende zon.

Voor veel mensen is niet eens een slaapplaats. Veel mensen slapen op straat, voor tentjes is geen plek meer. Ook alleenreizende vrouwen slapen buiten, voelen zich onveilig. De wachtrijen voor onze medische kliniek worden alsmaar langer en we moeten steeds meer mensen wegsturen. Het is te tragisch voor woorden: zoveel mensen die een arts nodig hebben, maar die door capaciteitsgebrek nergens terecht kunnen.

Ook de psychische nood is enorm hoog. Het lijden van de mensen die we wél kunnen zien in de kliniek, is onbeschrijfelijk. Alleen de meest extreme gevallen kunnen worden doorverwezen en komen dan ergens onderaan een lange wachtlijst terecht. Maar wie verwijs je in vredesnaam door als iederéén een extreem geval is?

De jongeman wiens bootje vlak voor de kust omsloeg en die een baby zag verdrinken? Die ‘s nachts gillend wakker wordt omdat hij denkt dat de slapende lichamen om hem heen lijken zijn die hij op het strand uit het water gehaald zag worden? De man van vijfentwintig over wie een vriend vertelt dat hij ’s nachts in zijn bed plast en begint te gillen zodra het licht uit gaat? De vrouw van eind dertig, zwanger van haar verkrachter, die alleen maar mompelt: ‘ik ga de zee in lopen, in de zee heb ik rust, waar is de zee?’ Of de jongen van negentien die vraagt of wij hem in plaats van paracetamol misschien een machete willen geven, zodat hij eerst zijn verkrachters en dan zichzelf kan vermoorden?

Ons hart breekt. Er is zoveel leed, zoveel verdriet. We willen zoveel meer doen dan we kunnen, zoveel meer mensen helpen dan onze handen kunnen dragen. Om op te kunnen staan tegen dit onrecht hebben we jullie steun zó zó hard nodig. Geef alsjeblieft wat je missen kunt zodat we zoveel mogelijk mensen de hulp kunnen blijven bieden waar ze zo hard recht op hebben. Laten we onze ogen niet sluiten, maar in actie komen. Laten we onze harten openen en het leed van deze honderden mannen, vrouwen en kinderen tot ons laten spreken. Het is onze medemenselijke plicht.

👉👉 Je kunt eenvoudig doneren via Tikkie https://tikkie.me/pay/Bootvlucht/jUM78pxZHvNZ3xntgg9m18 of met behulp van het donatieformulier op onze website https://bootvluchteling.nl/doneer. We hopen dat velen van jullie ons zullen helpen om verandering te brengen in deze verschrikkelijke situatie. We hebben jullie nodig. Allemaal alvast heel erg bedankt! ❤️

 

Tekstfragment: Ragna de Boer.

Situatie in vluchtelingenkamp Moria op Lesbos opnieuw zorgwekkend

De situatie op Lesbos is opnieuw erg onrustig. Na een wat rustigere periode zijn er de afgelopen weken weer aanzienlijk veel boten aangekomen. In de eerste weken van juli arriveerden in totaal 37 boten met meer dan 1.300 inzittenden. Het vluchtelingenkamp Moria is hierop niet berekend. Deze situatie baart Stichting Bootvluchteling zorgen.

In vluchtelingenkamp Moria op Lesbos verblijven op het moment rond de 6.250 vluchtelingen, waarvan het merendeel (74%) afkomstig is uit Afghanistan. Hieronder zijn ongeveer 430 alleenreizende minderjarige tieners en kinderen. Dit terwijl het kamp slechts berekend is op 3.100 inwoners. Ook op andere Griekse eilanden neemt het aantal vluchtelingen de laatste weken toe.

De bootreizen gaan niet altijd goed. In juni kapseisden twee boten, voor de kust van Lesbos en bij het Turkse Bodrum. Hierbij kwamen zeker negentien mensen om het leven, waaronder vijf kinderen. Ook worden veel boten tegengehouden door de Turkse kustwacht en politie. Alleen al in juli zijn 170 boten met ruim 5.500 inzittenden tegengehouden tijdens hun overtocht naar de Griekse eilanden.

Zware problematiek

De doorstroom van vluchtelingen naar het vasteland verloopt zeer traag. Door de vele nieuwkomers neemt de druk op onze medische kliniek in kamp Moria en op onze medewerkers toe. Patiënten met lichte gezondheidsklachten moeten wij dagelijks wegsturen. We zien veel zware psychiatrische gevallen, waaronder niet zelden suïcidale patiënten, die zichzelf en soms anderen iets dreigen aan te doen. Mensen kampen met trauma’s, hallucinaties en klachten door oorlogs- en seksueel geweld.

Bij gebrek aan de juiste zorg keren patiënten vaak terug. De zware problematiek verhoogt ook de druk op onze psychosociale hulpverlening. Ook andere medische organisaties in kamp Moria hebben lange wachttijden of zelfs een patiëntenstop. Hierdoor groeit het tekort aan medische voorzieningen. Aan de vraag naar onderwijs voor zowel kinderen als volwassenen kan ook niet worden voldaan.

Hitte
De zomerse warmte verergert de leefsituatie in kamp Moria. In het kamp is vrijwel geen beschutting, wat het lastig maakt om verkoeling te vinden. De droogte neemt ook brandgevaar met zich mee. Hoewel de brandweer preventief patrouilleert, is rondom Moria al twee keer brand uitgebroken.

Naar verwachting zal het inwonertal in Moria de komende weken nog verder toenemen. Het aantal boten dat aankomt, stijgt nog steeds. Ook de verkiezingsoverwinning van de rechtse partij Nieuwe Democraten kan de asielprocedures op korte termijn beïnvloeden. Ondertussen blijven wij doen wat wij kunnen. Naast aandacht vragen voor de schrijnende situatie, blijven we tegen de klippen op de mensen in Moria helpen met medische en psychosociale hulp. Dagelijks kunnen wij voor honderden mensen het verschil maken. Hulp aan mensen in nood is nooit hopeloos.

Help jij ons onze School of Hope uitbreiden?

Je bent een kind en je woont in vluchtelingenkamp Moria.

Al maanden, misschien wel jaren, ben je op de vlucht. Je huis is een tent. Het kamp is je speeltuin. Als je dagdroomt, denk je aan de vriendjes en het huis dat je achterliet, in een ver land waar je ooit woonde. ‘s Nachts spookt de oorlog door je hoofd. Zie je weer hoe je de zee overstak in dat veel te kleine bootje. En als je wakker wordt, ben je weer daar: op die nare plek in Moria.

Hoe fijn is het dan als er een plek is waar je je zorgen kunt vergeten? Waar je kunt leren en spelen, waar je wordt gezien? Een plek waar je weer even kind kunt zijn?

Onze School of Hope is zo’n plek. Midden in kamp Moria geven wij hier elke dag les aan 75 kinderen. Week in, week uit tot ze Moria weer verlaten. Voor sommigen is het de eerste school waar ze ooit naartoe gaan. We leren ze o.a. (Engelse) taal en rekenen, in hun moedertaal. Maar meer nog: we geven ze een stukje normaal leven terug.

Het is één van de weinige kansen die kinderen in Moria hebben op onderwijs. Maar ook wij moeten op dit moment veel kinderen teleurstellen: we hebben geen ruimte om ieder kind een plek te bieden. Onze wachtlijst is lang. Daarom willen we héél graag uitbreiden, zodat nog meer kinderen een kans op onderwijs krijgen.

——

Hiervoor is geld nodig. Het kost ongeveer 3.000 euro om de cabins waarin wij lesgeven uit te breiden en hier een fijne plek van te maken. Help jij ons, zodat we nog meer kinderen uit Moria een veilige haven kunnen bieden?

Via deze Tikkie-link kun je een bedrag naar keuze doneren:

https://tikkie.me/pay/Bootvlucht/4LadY3hBbgJHV6M7bJxVj6.

Of gebruik het donatieformulier op onze website: https://bootvluchteling.nl/doneer-2/. Hier kun je ook voor een periodieke donatie kiezen.

Voor 30 euro kan een kind ongeveer een week naar school. Iedere euro is welkom. Dank je wel alvast dat je ons wilt helpen!

Onze mensen – Todd: ‘Middenin die rotsituatie maken ze de keuze om te geven om anderen’

‘Ik doe drie weken vrijwilligerswerk hier in Moria. Dus als dingen oncomfortabel zijn voor mij, is dat maar voor
drie weken. Daarna ga ik terug naar mijn normale leven, waar alles is zoals het altijd was. Waar ik weet
welke producten er in de supermarkt liggen, waar ik weet wat alles kost. Alles is dan weer gewoon zoals het
was.

Als ik naar de vluchtelingen kijk, zie ik mensen die geen idee hebben of de situatie waar ze in zitten zal
veranderen. Ze hopen het. En ze lijken vast te houden aan die hoop. Maar er is geen garantie. Hier in Moria zijn doet me realiseren hoe alles wat ik normaal gesproken doe op eenzelfde manier gaat. Momenteel ben ik in een andere omgeving met mensen die ik niet ken, in een cultuur die ik niet ken en met een taal die ik niet spreek. Maar zelfs hier, in een ander land, heb ik zoveel meer dan de vluchtelingen die hier verblijven. In Moria zie ik heel duidelijk wat vluchtelingen niet hebben. Een fijne plek om te wonen, vrijheid.

Ik werk als verpleger in de kliniek, waar ik samenwerk met vertalers vanuit het kamp. Zij doen niet alleen hun
werk op een professionele manier, maar ze geven ook echt om hun medevluchtelingen in Moria. Ik zie hoe
ze niet alleen vertalen maar ook proberen hun omgeving te kalmeren. Ze proberen zorg en compassie te
geven aan andere vluchtelingen die hulp nodig hebben.

De vertalers werken vrijwillig, maar zij zitten hier tegelijkertijd vast. Dat gaat mijn pet te boven. Ze zitten klem en middenin die rotsituatie maken ze de keuze om productief te zijn en te geven om anderen.’

– Todd, Amerika – Verpleger medische kliniek

Onze mediavrijwilligster Laurie maakte deze prachtige portretten van verschillende vrijwilligers in Moria. Met hun verhalen laten we jullie graag kennismaken met onze community.

Onze mensen – Katie: ‘Docenten kunnen hier doorgaan met waar ze van houden’

‘De reden dat ik geïnteresseerd was om voor Stichting Bootvluchteling te werken is dat de organisatie veel nadruk legt op het ‘empoweren’ van mensen in kamp Moria. Ik denk dat het niet goed is als een groep buitenlanders hier komt en een groep andere mensen, die lijden, vertelt wat ze moeten doen.

Bijna alle docenten van de School of Hope waren ook docenten in hun land van herkomst. Ze hadden daar middelen om hun werk uit te oefenen en waren succesvolle en professionele mensen. Nu, hier in Moria hebben ze geen middelen meer. Maar ze hebben nog steeds kennis. Ze hebben nog steeds passie. Ze kunnen doorgaan met doen waar ze van houden. Deze docenten staan de halve dag in de rij, voor alles: voedsel, documenten, medische zorg. Alles is een gevecht. Het is fantastisch om te zien dat zij hun tijd besteden aan het onderwijzen van kinderen, dag aan dag.

Ik schrijf mijn thesis over vredeseducatie. Dat is een vorm van onderwijs die helpt mensen te ontwikkelen die autonoom zijn, mensen die het gevoel hebben controle te hebben over hun leven. Vaak is een educatiesysteem top-down: de docent geeft instructies en de kinderen moeten stil op hun stoel zitten, luisteren en instructies opvolgen. Vredeseducatie richt zich meer op samenwerking en helpt studenten hun eigen onderwijs vorm te geven.

Ik denk dat vredeseducatie heel belangrijk is hier in Moria, want de kinderen hier zijn een groot deel van hun autonomie verloren. Veel van wat zij weten over hun identiteit en hun gemeenschap is veranderd. Mijn doel is om deze kinderen te laten weten dat ze hier op school een plek hebben waar ze wat controle hebben, ondanks de vreselijke dingen die ze hebben moeten meemaken om hier te komen en terwijl ze hier zijn. Ik wil dat ze weten dat ze gerespecteerd zullen worden. En dat ze een plek hebben, helemaal voor hen.’

– Katie (Verenigde Staten), vrijwilliger PSS-team

Onze mediavrijwilligster Laurie maakte deze prachtige portretten van verschillende vrijwilligers in Moria. Met hun verhalen laten we jullie graag kennismaken met onze community.

Onze mensen – Ramin: ‘Ik wilde niet in een tent zitten en gestrest zijn’

‘Mensen denken dat ze veilig zijn als ze Griekenland bereiken. Het is een Europees land. Mensen verwachten dat ze een goed leven zullen hebben, met een huis en baanperspectief. Maar vanaf het moment dat ze Moria binnenkomen verandert dat. Het blijkt het tegenovergestelde te zijn. Hun dromen worden verwoest. Dat kan heel moeilijk zijn voor mensen. Ik had dat probleem ook toen ik in Moria aankwam. Ik wilde naar een Europees land voor een beter leven. De eerste maanden in Moria kreeg ik psychische problemen. Ik had geen activiteiten. Maar na een tijdje herpakte ik mezelf. Ik gaf mezelf positieve energie. De energie om actief te zijn, mijn voetbal voort te zetten en activiteiten te vinden. Om uit die negatieve spiraal te komen.

Ik wilde niet in een tent zitten en gestrest zijn. Ik ben het gewend om veel activiteiten te hebben, om te werken. Dus hier wilde ik ook actief zijn. Eén van m’n vrienden werkte voor Stichting Bootvluchteling. Dus ik vroeg hem of ze meer vertalers nodig hadden. Dat hadden ze – dus ben ik hier begonnen met werken. Ik geniet ervan om mensen te helpen. Het geeft me positieve energie. Meestal werk ik als vertaler in de kliniek. De patiënten voelen zich fijn bij mij, ze vinden de manier waarop ik vertaal prettig. Wij, de vertalers en de dokters, zijn een fijn team en we hebben goed contact met elkaar. We zijn een soort familie die samenwerkt. We helpen mensen. Ik heb nog steeds hoop en ik vecht voor mijn toekomst. Ik zal mijn reis voortzetten. To be continued.’

– Ramin, tolk in onze medische kliniek

Onze mediavrijwilligster Laurie maakte deze prachtige portretten van verschillende vrijwilligers in Moria. Met hun verhalen laten we jullie graag kennismaken met onze community.

Onze mensen – Rina: ‘Het is fijn als er een plek is waar vrijwilligers kunnen ontspannen’

‘De vrijwilligers van Stichting Bootvluchteling maken lange, pittige dagen. Daarom vind ik het heel belangrijk dat onze vrijwilligershuizen huiselijk aanvoelen. Het is fijn als er een plek is waar vrijwilligers kunnen ontspannen. Daar zet ik me voor in. Ik ben voor langere tijd op Lesbos en werk als vrijwilligersmanager. Ik ben aanspreekpunt voor alles wat te maken heeft met de vrijwilligershuizen. Dat houdt bijvoorbeeld in dat ik het wat huiselijker maak maar ook dat ik het corveerooster opstel en zorg dat mensen opgehaald worden van het vliegveld.

Daarnaast draai ik shifts mee in kamp Moria. Ik ben de focuspersoon van de bibliotheek. Vijf dagen per week is er bibliotheek. Daar kunnen mensen een boek lenen, maar de plek heeft ook een sterke sociale functie. Mensen komen samen om een kop thee te drinken of een spelletje Rummikub te doen. Het is een fijne plek waar mensen hun zorgen even kunnen vergeten. Er worden veel Engelse kinderboeken gelezen, ook door volwassenen, dat is een handige manier om Engels te leren. De bieb wordt gerund door de librarians, vluchtelingen uit het kamp. Het is hun toko, hun bieb. Wij ondersteunen waar nodig. Zij weten alles. Zij hebben het systeem bedacht. Ze lenen de boeken uit, zetten de gegevens van de mensen in de computer en helpen mensen met het uitzoeken van een nieuw boek.’

Rina (38, Nederland) – Vrijwilligersmanager

Onze mediavrijwilligster Laurie maakte deze prachtige portretten van verschillende vrijwilligers in Moria. Met hun verhalen laten we jullie graag kennismaken met onze community.

Spreekt Rina’s functie je aan? We zijn per direct op zoek naar een sociale vrouw of man die haar als vrijwilligersmanager kan opvolgen. Interesse? Lees dan gauw verder: https://bootvluchteling.nl/vrijwilligersmanager-lesbos/