Lesbos – Dit is Adouan

Dit zou een foto kunnen zijn van mij en m’n neefje.

Maar dit is Adouan. Hij is zo’n 15 minuten voor de foto gemaakt is aangekomen op Lesbos. Per boot. Deze boot. Met net zoveel mensen erop, zeker het driedubbele, en misschien zelfs het vierdubbele van wat eigenlijk mag, en dat is 15.
Zijn moeder was nog niet goed van de schrik bekomen, maar toen ik met droge kleertjes aankwam, gaf ze hem meteen aan mij. Samen wurmden we hem uit z’n natte kleertjes, gaven hem een schone luier en trokken hem droge kleertjes aan. Geen babyslaapzak meer in de auto, dus dan maar wat extra kleertjes aan moeder gegeven voor als het koud wordt vanavond.

Er bleken nog twee grote zussen te zijn, ook doorweekt. Ik hield Adouan dus nog maar even vast. Moeder droogde haar kindjes af en trok ze droge kleren aan. Adouan trok intussen aan mijn haar, lachte lief naar me, haalde mijn bril van mijn neus, kletste en schaterlachte volop tegen me en spuugde mijn shirt onder.

Het voordeel van hem lekker tegen me aanhouden is ook dat hij dan snel weer opwarmde.
Als alle kinderen zijn omgekleed, gaan ze op pad. Vader en moeder zijn nog doorweekt, maar we hebben geen droge kleren meer voor ze. Note to self: De auto volgende keer nog voller laden voordat we weggaan.

Ik aai Adouan nog een keer en dan, dag, good luck, take care! Daar gaan ze. Op weg naar Mytilini. Het is nog maar 45 km tot deze tussenstop op hun ongetwijfeld nog lange vermoeiende reis…


(Door Kirsten Alblas)

LESBOS – Twee vingers in de lucht

Nog niet zo lang geleden stond ik met twee vingers in de lucht. Zonder twijfel en met de euforie van een net afgeronde studie in mijn ogen zwoor ik bij God dat ik mij aan de verpleegkundige eed zal houden. Terwijl ik daar stond beeldde ik mij in hoe ik in mijn witte kloffie door het ziekenhuis paradeer en mensen de beste zorg lever die mogelijk is. Dat witte kloffie heb ik deze vakantie geruild voor een zomerse outfit van Stichting Bootvluchteling waarmee ik op Lesbos in de Griekse zon paradeer. De verpleegkundige is hetzelfde gebleven. Toch?

Vrijdagavond zijn mijn vrouw Martine en ik naar Sykiminia gegaan om meer dan 500 mensen klaar te maken voor de nacht. We hadden babymelk en een koffer met wat apparatuur, zoals een glucosemeter en een bloeddrukmeter. Aangekomen bij het kamp zoeken we naar een Engelssprekende vluchteling voor vertaling en lopen iedereen langs. Baby’s met koorts, kinderen die overgeven, zwangere vrouwen die uitgeput zijn en oude vrouwen met verstuikte enkels.

Terwijl ik op mijn knieën een been spalk, komt er een jongen naar me toe. De vertaler zegt dat hij een wond heeft en als ik hem vraag dit te laten zien, trekt hij het verband van een ontstoken schotwond af. Mama mia! Wat zou deze achttienjarige jongen meegemaakt hebben? Gevlucht uit Syrië, weggerend van het gevaar, een levensgevaarlijke tocht over de zee gemaakt in een overvol bootje. Man, man, wat een leven.

Twee vingers in de lucht en euforie van een net behaalde overtocht in hun ogen. Zo zien veel vluchtelingen eruit op de selfies die op het strand gemaakt worden. Ik heb euforie nog nooit zo snel zien verdwijnen als ze beginnen aan een wandeltocht van 50 kilometer in de zinderende hitte van de Griekse zon, of als ze in de buitenlucht moeten slapen op de harde grond.

Uitgeput stappen Martine en ik om 01:30 in de auto, op weg naar ons hotel. Na 50 meter rijden komen we een nieuwe familie tegen en ik rij door, ik kan niet meer! Of toch? Wat deed ik met die twee vingers in de lucht te zweren? Precies! Ik kijk Martine aan, zet de auto in z’n achteruit en roep uit het raam: ‘Any medical care needed?’

(Door Christian van der Spek)

Lesbos – Het is een heilige berg, dat Moria

Het is een heilige berg, dat Moria. Een berg waar tempels gebouwd worden (Bijbel) en waar de sterren zich in al hun magische schoonheid in het water weerspiegelen (Lord of the Rings). Maar in het Moria op Lesbos is daar weinig van terug te vinden.

Ja, het is op een berg, maar daar is echt alles mee gezegd. Kinderen spelen er tussen het afval. Tentjes en volstrekt geïmproviseerde afdakjes staan kriskras door elkaar. Het wemelt er van de mensen. Het stinkt overal en het is er broeierig warm. Nog voor we het kamp binnen zijn, willen we al weg. Dit Moria heeft niets magisch. Dit is niet Moria, dit is Mordor (LotR), of de hel (Bijbel).

Te midden van die chaos loopt een jongeman zoekend rond. Hij is zijn vrienden kwijtgeraakt tijdens de reis en hoopt ze in dit kamp te vinden. Maar hij weet niet waar te zoeken. Samen met ons stapt hij verder: net zo verloren, net zo verafschuwd en verbaasd. Overal liggen mensen uitgeteld te slapen: heel veel Afghanen, maar ook Pakistani, Somaliërs en Eritreeërs. Soms hebben ze een soort donker gaasachtig worteldoek boven zich uitgespannen voor een beetje schaduw, soms zitten ze onbeschermd onder een boom. Er wordt ‘s nachts gestolen en geroofd, hebben we gehoord. Bij het uitdelen van het schaarse eten zijn er opstootjes. Al die nationaliteiten bij elkaar, hoe kan dat goed gaan?

Ergens in een hoekje hebben jongetjes een spel bedacht met de kooltjes van een gedoofd vuurtje. Op een richel lopen we tegen tentjes aan en glibberen we langs het losliggend gruis naar beneden. Een jochie van een jaar of acht laat aan een vriendje zien hoe hij een stok op zijn vingers kan laten ronddraaien. Een moeder trekt zich terug in haar tent en geeft haar baby de borst. Even verderop krijgt een groepje kinderen ruzie, oudere jongens bemoeien zich ermee en proberen de boel te sussen. Een ander groepje rent langs en trekt zich terug in de toiletten. Als wij er gaan kijken, vliegt het ongedierte ons tegemoet. De lucht is penetrant en ongezond.

We lopen een steil betonpad op. Er komt een busje van Dokters van de Wereld naar beneden. Stapvoets gaat het, vlak langs de tentjes die zelfs op het beton staan opgesteld. Onze metgezel slaakt een kreet: “there are my friends.” Tussen al die mensen zitten ze eenzaam onder een boompje: een man, een vrouw en twee kleine kindjes. Ze zien er keurig verzorgd uit, alsof ze hier niet thuishoren; alsof ze rusten tijdens een trektocht die nog niet ten einde is, de tassen bij wijze van spreken nog op hun rug.

We gaan bij hen zitten. Hoe was jullie reis? Moesten jullie lang lopen, of was er een bus die jullie meenam? Hebben jullie al een tent? Waar wil je naartoe? De jonge vrouw beantwoordt onze vragen in vlekkeloos Engels. We complimenteren haar met haar zoontjes, die dicht tegen hun moeder aankruipen. Ze slaat haar arm om de jongetjes heen. “Hebben jullie te eten?” vragen we. Het antwoord komt binnen als een bom: “money is gone.”

Dit Mordor, deze hel, is bikkelhard. “Money is gone.” Het betekent geen tent, geen eten, geen ticket om het eiland te verlaten, geen dromen, geen leven. “Money is gone” betekent “gevangen blijven in deze hel.” Terwijl ze het zegt, draait ze haar hoofd weg en wrijft in haar ogen. Haar zoontjes klampen zich aan haar vast. We willen wat doen, maar voelen ineens hoe we opvallen, tussen al deze mensen die ook niets hebben. Iets geven kan gevaarlijk zijn, niet in de laatste plaats voor hen. Een tijdje zitten we stil bij het groepje. Dan wrijft René kort met zijn hand over haar hand. Het is tegen alle culturele regels, maar het voelt logisch – als het enige dat je in zo’n situatie kunt doen. Als we weer bij de auto staan, vraag ik hem: heb je haar iets gegeven? Hij knikt. Ik heb het niet gezien. Hopelijk ben ik niet de enige…

(Door Alfard Menninga)

 

Lesbos – Heeft mijn dochter toekomst?

4 jaar oud ben je, en na je derde vluchtpoging vanuit Irak ben je samen met je moeder aangekomen op Lesbos. Tijdens de eerste poging zonk jouw boot, de tweede keer werd je terug gestuurd door de kustwacht. Nu is je huis een stuk karton onder een boom in kamp Kara Tepe. Vannacht hield je moeder je warm onder haar jas. Je vader? Die nam 6 maanden na je geboorte de benen omdat hij niet kon leven met het feit dat je bent geboren met een misvormd handje. Nu is het mama en jij.

Je moeder vertelt huilend en radeloos haar verhaal aan twee vriendelijke mannen uit Nederland. Ze maakt zich zo’n zorgen, heeft geen idee waar ze morgen kan slapen en of ze wel te eten heeft. Ze heeft gehoord dat er in Duitsland dokters zijn die je handje zouden kunnen opereren. Maar ze heeft weinig hoop dat ze daar ook daadwerkelijk aan zal komen als vrouw alleen.

Ze voelt zich zo eenzaam en moedeloos.

Stralend poseer je voor de foto…

(Door Annerieke Berg)

(Foto’s door René Berg)

Lesbos – Ik had het kunnen zijn

Ik had het kunnen zijn!

Na twee dagen Athene zijn René en ik last minute doorgevlogen naar Lesbos. De situatie wordt er steeds meer kritiek en het is nodig om de strategie van de stichting bij te stellen. In de transit area (annex parkeerplaats, bushalte en braakliggend stuk beton) in Molyvos raak ik aan de praat met een 22 jarige Afghaan. Zoals zo vaak dezer dagen realiseer ik me dat ik het net zo goed had kunnen zijn, en de schrik slaat me om het hart.

Natuurlijk, ik ben het niet: ik heb geen grote tattoo met het woord “freedom” op mijn arm. Ik ben geen 22 meer. Mijn ouders zijn nog goed ter been. En ik woon in het veilige Nederland. Maar ik had het wel kunnen zijn, als ik in Afghanistan had gewoond, als hier in Nederland de pleuris was uitgebroken, of als ik in de tijd van mijn grootouders geboren was. Dan had ik het kunnen zijn. Want ook ik ging naar de universiteit en haalde daar mijn degree. Ook ik spreek meerdere talen (hij zelfs vijf) en ook ik zit nu op deze stoffige parkeerplaats in Molyvos. Als ik met deze 22-jarige jongen spreek, realiseer ik me weer hoeveel geluk ik heb gehad en hoe hard ik hoop dat hier de pleuris niet zal uitbreken.

Het verhaal dat hij vertelt is zomaar één van de vluchtverhalen die ik hier op Lesbos hoor. Hij vertelt het in vloeiend Engels en ik hoef het alleen maar op te tekenen.

“Ik ben Ahmed. Ik ben tweeëntwintig. Dit zijn mijn vader en mijn moeder. Dit is mijn vrouw en dit zijn mijn dochtertjes. We komen uit Kabul. Het is zo gevaarlijk daar. De boot was gevaarlijk en Kabul was gevaarlijk. En nu zijn we hier. We zijn zo moe, we hebben drie dagen niet geslapen.”

“Wat voor werk deed je in Kabul?”

“Ik heb een bachelorsdegree in engineering. Ik werkte drie maanden voor een Amerikaans bedrijf. De selectie was erg streng, en er kon er maar één gekozen worden. Dat was ik. Maar toen ontplofte er een suicide bom voor de deur van het bedrijf. De Amerikanen zijn toen vertrokken, en ik was werkeloos. Er ontploffen elke dag zelfmoordbommen. Eentje op tweehonderd meter van ons huis. En de laatste keer wel zes op één dag. Het was zo gevaarlijk, we konden niet blijven. Bovendien: ik moest ook weg. Ik heb voor de Amerikanen gewerkt, en dan komen ze je vroeg of laat opzoeken – je weet wel. Ik was gevangen in mijn huis, en kon niet naar buiten.”

“Hoe was de reis?”

“Het was erg gevaarlijk. We hebben twee dagen gelopen, door de bergen. Het was ontzettend steil. Mijn moeder heeft een slecht been, en mijn vader heeft haar gedragen. Hij loopt zelf met een stok. Gelukkig had hij die mee, anders was het nooit gelukt. Ik liep met drie rugtassen, van mijn vader, mijn moeder en mijzelf. Mijn vrouw was met de kinderen. Het was zo zwaar.”

“Het was gevaarlijk?”

“Ja, bij de grens moesten we rennen. We werden beschoten: “poef, poef, poef”. Het was echt heel gevaarlijk. Door, hoe noem je dat, de soldaten, de grenswacht. Ze wilden ons tegenhouden. We mochten Afghanistan niet uit. Je kunt het je niet voorstellen, zo gevaarlijk. Gelukkig zijn we nu hier. We willen zo ver mogelijk weg van Afghanistan. Er is oorlog in Afghanistan, weet je. Het is de Taliban en de terroristen en de regering en de Amerikanen. Het is echt heel gevaarlijk.”

“Hoe deden jullie het met de kinderen?”

“We hebben ze gedragen, mijn vrouw. En ze hebben gelopen. Kijk, ze zijn heel moe. Wij zijn ook moe. We hebben drie dagen niet geslapen voor we met de boot gingen. Dat was ook gevaarlijk, met de golven. Ze waren hoger dan de boot. De meisjes moesten huilen. Kijk, mijn vader hier bestuurde de boot. Hij deed het goed. We zijn nu hier en veilig.”

Als hij vraagt of de bus naar het kamp nog komt, moet ik mijn schouders ophalen. “Ik weet het niet. Niemand weet het.” “Ik hoop het. En anders morgen. Dit is geen plaats om te rusten.”

Hij heeft gelijk. Hoe goed alle vrijwilligers ook hun best doen: dit is geen plaats voor mensen. Er zijn zeilen gespannen, er is karton zodat ze niet op de grond hoeven te zitten, en er is dankzij giften een beetje te eten. Maar dat betekent niet dat het een plaats voor mensen is. We kunnen het alleen maar zo menselijk mogelijk maken. En in de kampen is het weinig beter.

Het is een wrange constatering. Zeventig jaar geleden vierden mijn grootouders de bevrijding. Mijn opa kwam uit de onderduik, mijn oma fietste op haar houten banden stad en land af om de hongerwinter in Amsterdam door te komen. Ze vierden groot feest toen de vijand eindelijk verdreven was. Deze mensen zijn ontkomen aan zelfmoordterroristen, aan schietgrage grenswachten en aan de gevaren van de zee. Maar aan feestvieren zijn ze nog niet toe. Het blijft bij een tattoo met het woord “freedom” en af en toe een glimlach als ze over hun dromen praten. Maar ondertussen zijn ze dakloos in een werelddeel waar dat nergens voor nodig is, en dat geldt voor sterke jonge mannen, voor ouderen, maar ook voor kleine kinderen.

Ik moet er niet aan denken dat mij dit overkomt. En als ik er per ongeluk wel aan denk, dan slaat de angst me om het hart. Ik zou namelijk niet weten waar ik heen zou kunnen: gevangen in mijn land, in mijn angst en in een oorlog die er gelukkig nog niet is.

** de mensen op de foto’s kwamen tegelijk aan met deze man. Omwille van privacy zijn er geen foto’s van hem geplaatst en is zijn naam gefingeerd **

(door Alfard Menninga)

Lesbos – Levens gered

Vandaag waait het flink. Een zeer rustige start van de dag. Geen boten arriveren. Dus uitgebreid ontbijten, koffie, genieten van de even aanwezige wifi en met elkaar weer helder krijgen waar we mee bezig zijn. Na conference call met de stichting werden we weer heel wat wijzer en weten we dat er op hoger niveau met man en macht veel werk wordt verricht door de stichting!

We vernemen dat er een stuk verderop twee boten in nood zijn. Mensen zijn uit het water opgepikt, helikopter vliegt rond.

Ondertussen komen er toch boten aan. De gestrande mensen worden ook door toeristen naar het busstation gereden. Zo fijn om dit met elkaar te kunnen doen!

In mijn auto laat een moeder foto’s zien van haar man en drie mooie kinderen van 4-11 jaar oud. Zij vlucht alleen. Toch onvoorstelbaar?!

Op een gegeven moment kwam de eerste hulpvraag al.

Nou, het leek wel een SEH wachtkamer! Terrein stroomt weer vol. One by one…. In a line please!

Wat was ik blij met de hulp van een man die alles vertaalde!

Links een koffer met materialen, voor me een uitgevouwen kartonnen doos, rechts een slaapmatje waar familie op kan zitten.

Van alles kwam er langs; geschaafde knie, gekneusde enkel, gebroken (?) arm, voorwendsel pijnlijke knie om niet de 75 km te hoeven lopen(?), diabeet zonder insulinenaaldjes, kind met (6e?) ziekte, enorme muggenbulten, hoofdpijn, etc

En toen ineens ‘Liesbeth, nu komen er gaat er volgens mij één overlijden’.

Triage …. dus de rij gelaten voor wat het was.Een jongen, jaar of 18/19, hij sprak niet meer, gedragen door zijn vrienden was hij aangekomen. Huid zag grauw, ingevallen gelaat. Wat blijkt, hij heeft geen nierfunctie meer en is totaal afhankelijk van dialyse!

Ik wist dat ik hier enorm lang mee bezig zou zijn. Vluchtelingen bellen 112 met ‘klachten’ om zo snel mogelijk naar de hoofdstad te kunnen richting de eindbestemming Athene. Dus alles wordt grondig uitgezocht voordat er een ambulance gestuurd wordt. Een andere vrijwilliger nam gelukkig de taak op zich om een ambulance te regelen zodat ik verder kon met de rij waar geen eind aan schijnt te komen.

Dit alles is gelukt, hij ligt in het ziekenhuis!

Weer verder met de rij wachtenden. Zittend of staand. Ongeduldig of gelaten. Pratend met elkaar.

Dan besef je ineens, een baby naakt, liggend op stukje karton op een parkeerplaats.

Een vrouw met kapotte tenen. Wat hebben deze mensen al vele kilometers gelopen!

Verder kinderen met koorts, diarree. ORS en paracetamol berekend en uitgedeeld.

Wat fijn dat er ineens een Deense verpleegkundige kwam, als toerist aantal dagen op vakantie. Zij kwam ook met haar eigen materialen en ging de volwassenen helpen.

En jawel…groot kind werd binnen gedragen. Aantal littekens op zijn hoofd, buik. Spalk om zijn rechterbeen, rechterarm verlamd. Dwalende oogbewegingen. Misselijk, suf en twee dagen weinig gedronken.

In zo’n omgeving een bloeddruk, pols, saturatie meten en een pupillampje gebruiken is interessant voor anderen.

Door de aanwezige kennis was het snel duidelijk dat deze jongen bekend is met een waterhoofd, hiervoor een drain heeft. Tevens bekend met epilepsie waarvoor hij medicatie slikt.

Suf door vochttekort, teveel medicatie of drainprobleem? In half uur tijd hele beker ORS gedronken gevolgd door stukje banaan. Hij ontwaakte hier door. Zo gaaf om te ervaren hoe blij ouders zijn met de weinige hulp die je biedt maar in hun ogen veel betekend!

En jawel… Tussendoor zelf echt flesjes water gedronken, een banaan verorberd en koek weggewerkt.

Iedereen die arriveert krijgt een gekleurd kaartje. Deze kleur wordt omhooggehouden als er een bus arriveert voor deze ‘groepskleur’.

Vanmiddag kwamen er drie bussen. Veel mensen liggen te slapen, vooral op het terrein achterin. Dus de kleuren in hun taal geroepen. Mensen springen op en zijn direct vol in actie bang de bus te missen.

De mensen hier uit de omgeving waarderen de vrijwillige hulp door de stichting enorm! De hoeveelheid aan journalisten wordt als niet fijn ervaren. Maar de meeste Grieken willen zo min mogelijk met de vluchtelingen te maken hebben.

Het is erg fijn om met elkaar samen te werken als team, we zijn ondertussen prima op elkaar ingespeeld. Morgen arriveren er twee nieuwe mensen en vanavond komen René en Alfard. Fijn!

Lesbos – Een zwangere vrouw met pijnklachten

In alle hectiek van vandaag met alle nieuwe bootvluchtelingen die zojuist gearriveerd zijn, komt de vraag tussendoor: ‘Liesbeth, nog iets, er is een zwangere vrouw met pijnklachten, wil jij daar ook even je aandacht aan schenken?’

Op het busstation zijn zo’n 300 mensen, zittend in de schaduw van bomen of onder een aantal zojuist gekochte parasols. Kinderen rennen rond, mannen slapen liggend op uitgevouwen kartonnen dozen.

De zwangere moeder zit met haar rode lange jas, lange mouwen half in de zon met haar twee jarige zoontje op schoot. Haar man spreekt gelukkig goed Engels.

Ze is 28 weken zwanger, voelt al 3 dagen geen leven meer. Met de meegenomen bloeddrukmeter controleer ik haar. Ze is misselijk, weinig tot niets gegeten, en toch elke keer kramp. Ik laat haar plaats nemen op de bijrijdersstoel van onze geparkeerde auto. Hier vragen we door mbt privacygevoelige vragen als bloedverlies, om de hoeveel tijd kramp, etc. Tja, met de stethoscoop een poging gedaan om iets te horen. Maar die expertise ontbreekt toch echt!

Is hier sprake van stresssituatie in combinatie met weinig tot geen nachtrust, te weinig vocht en te warme omgeving? Of een beginnende geboorte?

We hebben telefonisch contact met één van de drie aanwezige artsen van ‘Artsen zonder Grenzen’.

Controle in het ziekenhuis kan alleen als ze via de havenpolitie geregistreerd zijn om naar het kamp Kara Tepe en later naar Athene te kunnen. En…controle in het ziekenhuis mét iemand van de vrijwilligers én iemand die kan vertalen het liefst voor 17.00 uur. Jan Willem en Liesbeth besluiten samen te gaan maar we kunnen niet gelijk weg.

Tijd om poosje met dit gezin te praten. Vader, 32 jaar, vertelt dat hij neuroloog is. Uit Syrië gevlucht wegens vreselijke omstandigheden, vervolging en oorlog. In buurland Jemen gewoond en gewerkt als arts. Door oorlogsproblematiek daar, naar Saoudi Arabië verhuisd waar hij geen werk had. Gezien de toekomst voor zijn vrouw en kind én zijn vervolgstudie wil hij graag in Duitsland gaan wonen. Een aantal maanden woonden ze inTurkije maar daar voelden ze zich niet thuis en er was door de vele vluchtelingen geen veilige situatie voor zijn gezin.

Zijn droom is om zich te specialiseren als neuroloog met aandachtsgebied MS. Natuurlijk werd de wedervraag gesteld mbt mijn werkzaamheden en de klik was er snel. Want zomaar ineens iemand tegenover je met kinderneurologische ervaring geeft totaal andere gesprekspunten!

Ondertussen observeer ik moeder en zie dat ze tijdens ons gesprek twee maal een kramp heeft.

In de auto valt moeder in slaap. Ondertussen is het jengelende mannetje van twee jaar overgenomen door Liesbeth en zit hij voorin op schoot, met gordel om. Direct is hij stil en speelt met de klepjes van het ventilatiesysteem en een zonnebril. Een echte boy!

Het is 1,5 uur rijden naar de haven van Mytilini. Daar aangekomen zien we een enorme rij wachtende mensen staan. Hoe komen we hier doorheen en krijgen we voorrang??

‘ I try something’ zeg ik met een lach naar vader en hang mijn stethoscoop om mijn nek. We wringen ons langs de rij wachtenden. En jawel.. In het kader van ‘I have a pregnant woman with problems’ krijg ik direct formulieren overhandigd om te registreren. Na 10 minuten voor elkaar gekregen waar mensen in de rij 3-4 uur op moeten wachten??

Ondertussen opnieuw gesproken met de arts. De situatie lijkt mij niet acuut gezien ook de stressvolle omstandigheden en het niet doorzetten van de krampen. We bieden ouders de keuze om óf naar het kamp te gaan en morgen een arts te spreken van AzG. Óf nu naar het ziekenhuis voor echo, etc maar dat zal een lange avond worden.

Ouders kiezen voor het eerste.

Aangekomen bij het kamp weten we niet wat ons overkomt. Zo’n 300 mensen staan zeer dicht tegen elkaar aan, luisterend naar iemand die het één en ander schreeuwt naar de aanwezigen. Er worden namen afgeroepen van mensen die morgen met de boot naar Athene mogen.

Eerst eten we met zijn vijven op de stoep een ‘broodje friet/tomaat’ wat vader absoluut zelf wilde betalen.

Daarna lopen we het kamp op, 3000 aanwezigen op een grote parkeerplaats. De eerste aanblik van dit kamp. Afschuwelijk! Wat denken deze ouders nu terwijl ze hier dit kamp binnen lopen? Is dit Europa?? Ik moet even niet te diep nadenken en voelen nu, maar wijzen waar ze evt een matje, slaapzak en/of tent kunnen kopen. Er is verder niets dan grint, grond, bomen. Er is eten voor ongeveer 300 kinderen/ vrouwen. De Lidl op 500 meter afstand doet goede zaken.

We nemen afscheid van dit mooie gezin en wensen ze alle goeds toe in Europa! Maar met de verhalen die we horen uit Athene en Macedonië weten we dat de reis nog lang en zwaar zal zijn..

Lesbos – Zo gevaarlijk is het dus

Zo gevaarlijk is het dus.. Heb ik vandaag echt bijna een kind voor mijn ogen zien verdrinken ?

Vanochtend uur of twaalf. Drie of vier boten gesignaleerd bij Sikaminias. Met beide Annemaries in twee auto’s die kant op.

Een groepje pikzwarte Somalische jongens is al aan land als we arriveren en heeft aan de kant van de weg de schaduw opgezocht. Ze wachten op de tweede boot waar hun vrienden in zouden zitten. Door de verrekijker bespeurt Annemarie een bootje, maar al gauw blijkt dat dat ver uitwijkt naar rechts en dus een eind verderop aan gaat komen. Ik stap snel in ons blauwe autootje.

Een hele club journalisten scheurt voor mij uit. Ze kiezen hun positie op het strand en ik maak zelf ook een filmpje van het naderende bootje. Hé, de andere meiden zijn niet achter mij aan gekomen. Ben zomaar weggereden zonder te zeggen waar naartoe. Iets te enthousiast… Gelukkig ben ik niet alleen, ik ben omringd door de pers.

Als de overvolle boot de rotsige kust bereikt, stap ik het water in en help een oudere vrouw aan land. Overal om mij heen beginnen mensen uit te stappen. De boot drijft af, ik probeer m tegen te houden, maar dan kan ik ondertussen niet ook nog kinderen over de rand heen tillen. Ik kijk om me heen en zoek naar balans op de glibberige keien. Waar is iedereen?

Ik krijg een baby in mijn armen gedrukt en draai me weer om naar het strand. De fotografen schieten hun actiefoto’s, de camera draait en de pluizige microfoon zwaait in het rond. Maar niemand neemt de moeite om het kindje van mij over te nemen. “Can anybody help instead of just taking pictures?” Geen reactie. Verontwaardigd denk ik ‘jammer voor je’ en duw de drijfnatte baby in de handen van een vriendelijk ogende grijze reporter en ga verder.

Binnen een oogwenk is de boot leeg. De baby lijkt tevreden in de armen van de reporter en iedereen is safe aan land. Dat viel toch nog mee. Dank U, Heer.

Maar nog voor ik kan beginnen met instructies geven en water uitdelen, wordt er gewezen naar de zee. Nog een boot.

Hop, achter het stuur. Vrrrroem, in volle vaart erop af. Stof wolkt naar binnen door het openstaande raampje. Tussen de olijfbomen door hou ik het bootje al rijdend in de gaten. De banden slippen als ik de handrem aantrek. Met natte Teva’s over losliggende stenen rennen = niet handig. Ik ben maar net op tijd en loop de boot tegemoet. Camera’s klikken. Ik ben nog steeds alleen.

Ruw word ik aan de kant geduwd. Een fotografe zit op haar knieën in het grind. Met haar donkerbruine ogen kijkt ze geërgerd naar me op. Of ik niet door haar beeld wil lopen. “Well, excuse me, I’m here to help, not to be filmed!”

Dan gaat alles ineens razendsnel.

Pang! De doffe plof van het lek steken van de boot, een bekend geluid. Maar… Nee! Dit is veel te vroeg! De boot ligt nog te diep in het water! In paniek leunen de mannen die aan de lekke kant zitten, naar opzij en springen uit de boot. De boot helt over naar rechts en zeewater stroomt naar binnen. Dit. Gaat. Niet. Goed.

Ik laat mijn telefoon op de grond vallen en heb ook nog het benul om mijn autosleutels uit mijn broekzak te halen. Dan duik ik in het water.

Vrouwen trekken aan mijn armen, kinderen gillen, ik til een jongen van tien over de rand en probeer een klein meisje vast te pakken, maar zware doorweekte rugzakken liggen in de weg. Water, nog meer water. Iedereen duwt en trekt en tuimelt over elkaar terwijl de boot zich vult. De kleintjes zitten in het midden en kunnen nergens heen. Ze gaan verdrinken. Ze gaan hier voor mijn ogen verdrinken! Jesus, safe those children. Jesus!!!

Wanhopig kijk ik naar de mensen van de pers die droog op de kant staan. Druk lopen ze heen en weer om dit drama vast te leggen. Verbijsterd schreeuw ik om hulp. De beelden zullen vast spectaculair zijn en ja, ze geven de rauwe werkelijkheid weer en dat is belangrijk, maar in Gods naam, HELP TOCH!

Ik sta inmiddels tot mijn oksels in het water. De mensen in de boot verdringen elkaar om zo snel mogelijk voet op vaste grond te kunnen zetten. Ik kijk alleen maar naar de lamgeslagen kleuter die temidden van het gewoel niet beseft in welk gevaar hij verkeert. In gedachten zie ik hem al op de bodem van de boot platgedrukt worden en verdrinken in het water dat de boot nog altijd langzaam maar zeker vult. En dat fragiele meisje van nog geen twee met een pietepeuterig staartje op haar hoofd, straks kiept ze nog over de rand en komt onder de boot terecht. Uit alle macht houd ik de leeggelopen rand van de boot zoveel mogelijk stabiel. Met mijn andere hand grijp ik kinderarmpjes vast, sjor ik aan tassen, duw ik mannen over de rand en ergens in mijn achterhoofd blijf ik bidden. Jesus, safe the children. Jesus, safe the children.

Ergens tussen dat schietgebed en het moment dat ik de laatste rugzak uit het water sleepte, moet iedereen veilig aan land zijn gekomen. Het is aan mij voorbijgegaan.

Verdwaasd loop ik rond. Een jonge moeder zit huilend op een grote kei. Ik ga naast haar zitten en dank met haar mee dat haar kleintjes levend naast haar op de grond zitten. Zwemvesten worden op een hoop gegooid en een vergeten kinderschoentje uit de boot gegrabbeld voordat ook de andere zijde ‘poef’ wordt lek gestoken. Jongens tikken me op de schouder en zeggen ‘tenk joe’. Een fotograaf komt vertellen dat ie mijn telefoon heeft. Ik zoek naar mijn autosleutels en vind ze. Ik kan alleen maar huilen.

Lesbos – Schokkende aankomsten

De twee boten vanochtend waren schokkend. In de tweede boot zaten Afghanen. Bijna niemand had een zwemvest aan, en wie wel geld genoeg had om er een te kopen had m niet opgeblazen. Afghanen zijn Over het algemeen arm en velen komen uit de bergen en zijn maar amper bekend met de gevaren van het water. De boot liep midden op zee vol met water en de meesten hadden hun rugzak met hun enige bezit overboord moeten gooien. Heel verdrietig en stil van het besef dat ze het toch overleefd hadden kwamen ze aan land.

In de eerste boot vol Syriërs brak paniek uit doordat ze niet wisten wie ze moesten vertrouwen, ons of de motordieven. De boot begon te zwenken, wij moesten rennen om er op tijd bij te zijn, er werd geld en gehuild. Gelukkig kwam iedereen veilig aan land.

Na aankomst bleek de boot vol te zitten met heel veel peuters en baby’s en hun ouders. Door alle angst en paniek waren de kleintjes totaal overstuur.