Het uitzichtloze wachten

Lopend door het donkere, modderige en koude Moria. Het zijn kleine paadjes tussen de tenten door met her en der een vuurtje waar wat mensen omheen zitten. Toch zitten de meeste mensen binnen. Ik zie een vrouw plassen naast haar tent, want gebruik maken van het sanitair is nog viezer. Het is mensonterend.

We stappen een grote witte tent binnen. Een groepje Pakistanen zit gezellig bij elkaar op een kleedje en we worden gelijk gevraagd om er even bij te komen zitten. Trots bieden ze ons wat eten en te drinken aan. Ze zijn alleen gekomen, maar nu hebben ze elkaar. Meer en meer mannen verzamelen zich om ons heen en er wordt hard gelachen, gegeten en gedronken. Even vergeet iedereen de ellende van kamp Moria. Als we weer gaan zegt één van de mannen; ‘Jij zat hier nu even een kwartiertje, wij zitten zo al tien maanden.’ Ik probeer me in te beelden hoe dat moet zijn. Elke avond gaan slapen en in de ochtend weer opstaan zonder een doel te hebben. Niet wetende hoe lang dit zo nog doorgaan en niet wetend óf en waar je heen zal gaan.

Een paar dagen later zit ik voor de medische cabine om mensen die de dokter willen zien te registreren. Ik zit gezellig met een vertaler te kletsen tot er een tegenstribbelende jongen door twee vrienden bij ons wordt gebracht. Hij is dronken en hij heeft zijn beide armen volledig open gesneden. Zijn shirt zit helemaal onder bloed. Zo erg moet het dus zijn. Al elf maanden in een kamp zitten en dit jezelf aan doen om de fysieke en mentale pijn te vergeten.

Een paar dagen later ga ik samen met een mede-vrijwilligster op vrouwenexcursie. Twee auto’s vol met opgedofte vrouwen rijden naar een mooi kustplaatsje. We lopen kletsend en lachend over de pier. De vrouwen zijn druk bezig met foto’s van elkaar te maken en poseren voor de rotsen. Ook ik moet lachend tegen een rots staan en poseren voor de enthousiaste fotograaf. Later zitten we met z’n allen naar de zee te staren. Een jonge vrouw (22) vertelt haar verhaal. Ze is samen met haar broer gevlucht. Hun familie en vrienden moesten ze achterlaten. Vijf maanden hebben ze samen te voet gereisd door de bergen en door de sneeuw. En nu wachten ze hier in het kamp totdat ze door mogen naar een andere bestemming. Dan gaat de Afghaanse muziek aan en ineens staan we met z’n allen oosters te dansen op de pier. Even mens zijn en en uitzichtloze wachten vergeten.

Tekst: Isabel Wagemakers
Foto: Ruben Versteegen