Is mijn moeder al dood?

Voordat ik vertrok om als vrijwilliger bij Stichting Bootvluchteling te werken, had ik veel ideeën over wat ik zou zien en ervaren tijdens het werk op Lesbos. Ik had verwacht dat ik mensen zou ontmoeten die vreselijke beproevingen en omstandigheden hebben doorstaan. Wat ik nooit had verwacht, en wat mij verraste was de warmte die mensen die ik ontmoette uitstraalden, de vriendschap die ze aan elkaar (en mij) boden en de veerkracht die ze dagelijks toonden. Deze mensen lieten alles achter en iedereen die ze kenden. Ze vluchtten voor hun leven, maakten een levensgevaarlijke reis en hebben zeer traumatische situaties ervaren. Sommige mensen hebben nu al meer dan een jaar in het kamp moeten wachten. Hun leven is in de wacht gezet. Toch kunnen ze het nog steeds opbrengen om vriendelijk tegen elkaar te zijn en om anderen te helpen wanneer ze maar kunnen. Er zijn honderden voorbeelden die ik kan gebruiken om mijn punt duidelijk te maken, maar er is er één die er bovenuit steekt.

Het was tijdens een medische dienst in Kamp Moria. De klok sloeg ongeveer 11:30 uur, toen plotseling een grote groep mensen een bewusteloze Syrische vrouw de cabine binnendroeg. Ze hadden ook een meisje van ongeveer 3 jaar oud bij zich, de dochter van de vrouw. Ze waren 4 dagen geleden in Moria aangekomen, en deelden een tent met 10 andere mensen; 10 vreemdelingen. Deze vreemdelingen droegen de vrouw en kind de steile heuvel op naar de medische hut en bleven massaal de wacht houden om de situatie van de vrouw in de gaten te houden. Terwijl zij behandeld werd door het medische team, zat haar dochtertje op de grond. Ze vroeg aan mij of haar moeder al dood was. De manier waarop ze die vraag stelde, namelijk alsof het iets was waar ze al vanuit ging, brak mijn hart.

Nadat ik het meisje had verzekerd dat haar moeder sliep, kwam een jonge Afghaanse man naast haar zitten. Een kind dat hij nooit eerder had ontmoet, en hij hield haar urenlang gezelschap. Hij speelde met het meisje en hielp haar om foto’s te maken. Het waren vreemdelingen, uit verschillende landen, met verschillende talen, maar het maakte niet uit. Ze was een kind dat hulp nodig had en hij nam daarin verantwoordelijkheid terwijl het niet van hem gevraagd was.

Nadat de moeder hersteld was werd zij en haar dochter terug naar de tent begeleid door dezelfde mensen die haar naar binnen hadden gedragen. Vier dagen geleden waren ze vreemden, nu zijn ze veel meer dan dat geworden.

Deze daad (en vele andere) van vriendelijkheid die ik tijdens mijn tijd in de kampen meemaakte, is wat ik met mij mee naar huis neem. Ook al kunnen mensen worden onderworpen aan afschuwelijke en onmenselijke ervaringen en omstandigheden, hun menselijkheid is nog steeds zichtbaar.

Tekst: Helen O’Dowd
Foto: Henk van Lambalgen