Leros – ‘I love you Syria’

Stichting Bootvluchteling is sinds een maand ook werkzaam op Leros. Onze vrijwilliger Ronja schreef er over:

Het mocht zo zijn dat ik de verantwoordelijkheid heb gekregen over Villa Artemis, een huis voor de meest kwetsbaren. Een toevluchtsoord in plaats van een koude nacht op het buitenterrein van de havenpolitie.

Het zijn de babyhandjes tegen mijn hals, want moederarmen zijn te moe.

Het is de man die drie vingers verloor op het militaire eiland.

Het zijn de Griekse soldaten die tegen hem schreeuwen dat hij hier zal sterven.

Het zijn ook de vluchtelingen die vertellen dat zij met vriendelijkheid zijn behandeld door Griekse soldaten.

Het is de militaire boot die circuleert rond een rubberboot om die om te laten slaan, ondanks dat lange armen babylichaampjes omhoog houden. Zij werden gered op internationaal water.

Het is de vrouw die ineenstort in mijn armen. Ze heeft drie dagen gelopen, ze zegt: ”and nobody listen.”

Het zijn de nummers op hun handen, en ik moet hun nummer op papier schrijven, om aan de politie te geven, van nummer naar mens, als ze mij de heuvel op volgen naar Villa Artemis. In Villa Artemis, daar communiceren we door enkele Engelse woorden en dan weer met een stroom Arabische woorden en handen, en gehuil en gelach, en aaien over ruggen en kussen op wangen.

Het is het hoofd aan de andere kant van het raam, van een vrouw die buiten in het donker kleren waste. Ze was bang voor het donker en ik zat naast haar en keek naar haar handen die zorgvuldig de natte kleren uitwringen en samen zongen we ”Syria Oh Syria”. En daar tussendoor fluisterde ze “I love you Syria”.

Het is de moeder met de dochter die in de vierde maand van haar zwangerschap is, en toen ik vroeg waar de rest van de familie was, legden zij hun handen tegen elkaar gedrukt tegen hun schuine wangen.

Het zijn de oudere vrouwen die met kreunende geluiden de trap naar Villa Artemis opklimmen, en met elke stap die ze nemen roepen zij een keer; “Jalla!”. Wanneer ze pauzes nemen en even op de kant zitten, pluk ik bloemen uit de struik ernaast en zet ze in het puntje van hun sluiers. Ze noemen me Habibi.

Het zijn de jongetjes die te veel dagen vastzitten op Leros, omdat de veerboten naar Athene staken, we doen hardloopwedstrijden om te zien wie de snelste is, en ze helpen me luiers distribueren, als dank geef ik ze kauwgom of een jas.

Het is om in de haven te zijn als de veerboot naar Athene vertrekt, en de hoop die van de mensen straalt is zo tastbaar, en niemand is in staat om te zeggen; “Maar de vlucht is nog niet voorbij.”

Het is ook om elke dag vergeten chocolade te geven aan de man die hielp om te vertalen, tot de dag dat zijn gezicht verdwenen is uit het kamp.

Het zijn de roodgevlamde, verdronken kinderen die aankomen in dezelfde boot als degenen die niet verdronken zijn.
Dezelfde boot waar het personeel besmettingsbeschermende kleding draagt alsof het een lading Ebola patiënten is die zij transporteren.

Het is een vergeten eiland in de omgeving die niet voldoende mensen en middelen heeft om de situatie te hanteren.

Het is dat ze niet genoeg lijkzakken hebben voor degenen die zijn gestorven.

Het is de 1060 sandwiches voor ontbijt op het kamp te distribueren en dat we “No! No! No!” schreeuwen voor degenen die tweemaal broodjes proberen te nemen.

Het zijn de foto’s die een vrouw mij laat zien van zichzelf, luchtig gekleed, met los haar in een uitdagende pose en dat ze door blijft bladeren en wijzen terwijl ze tegen mij zegt: “Future.”

Het is de havenpolitie hier wiens werk totaal is gewijzigd, en ze kunnen schreeuwen tegen de vluchtelingen,want soms wordt het te veel als niemand lijkt te luisteren. En soms kunnen ze hun macht misbruiken, maar soms kunnen ze hun macht vergeten, en dan kunnen ze tegen de vrijwilligers schreeuwen, want het kan toch niet zo zijn dat mensen hier koud en nat aankomen en er niet genoeg dekens beschikbaar zijn.

Het is dat moment om naar het verhaal van een man te luisteren,.

Het is ook dat moment om geïrriteerd te roepen: “No Shoes” wanneer de schoenen op zijn, maar er nog zoveel mensen om vragen.

Het is As-Salamu Alaykum, shukran en bukra,

Het is dat ik geen woorden heb geleerd in Dari.

Het is de regen die viel en mensen die koud en nat werden, alweer. Ze werden verplaatst naar het vervallen huis in het andere kamp, en ik liep daar over de bovenverdieping en zag alleen hun duistere gestalten die werden opgelicht door de bliksem uit de hemel die zich daar naar binnendrong, en ik begreep op dat moment niet dat dit de werkelijkheid was.

Het is het ziekenhuis op Leros en de herinnering in mijn hoofd van de dokter met een snor en de verpleegster met de hysterische sympathieke lach, die het kind op zo’n manier behandelden dat het leek alsof ik naar een fantastisch toneelspel zat te kijken.

Het is de groenteboer waar ik elke dag pruimen koop voor Villa Artemis, hij geeft mij extra bananen en druiven, of brengt me terug naar de villa op die dag dat het regende en ik anders had moeten lopen.

Het is het uitsorteren van kleren die niet geschikt zijn voor de vluchtelingen,  zoals hoge hakken of dunne topjes, die worden bij een container gelegd waar de lokale bevolking op Leros van kan pakken.

Het is de oude Griekse hoteleigenaar met voornamelijk gasten uit Syrië, hij zegt tegen mij dat hij bang is voor de toekomst.

Het zijn veel tranen, maar ook veel gelach.

Het is zo dicht bij de oorsprong, zoals de bergen in de zee rondom mij daar liggen als dinosaurus lichamen, en de zon die ze opwarmt, en de maan die de zee tussen hen in zilver maakt, en de bliksem die de achtergrond metafysisch laat verschijnen.

Ik zwom in dezelfde zee waar kinderen en moeders en vaders zijn omgekomen op hun weg van Turkije naar Griekenland, maar de zee bruiste zo onschuldig in mijn oren.
Zo’n dag toen het leven zwaar was, zag ik een grote kever op de trap en ik wenste dat ik het was. En ik schaam me bijna om het te schrijven, maar in dit absurde bestaan, waar zoveel zo verkeerd is,
maar waar menselijke gevoelens zich zo puur manifesteren omdat niets anders mogelijk is. En in de combinatie waar frustratie en verwoesting de constante schoonheid van het eiland ontmoeten,
vormen zich existentiële vragen als een echo in mijn hoofd, en voel ik mezelf op een bepaalde manier toch ook gelukkig.
Door Ronja de Boer
Vrijwilliger Stichting Bootvluchteling
Foto: Mirjam Kemp