Lesbos – Daphne

Naast dat alle vrijwilligers van Stichting Bootvluchteling stuk voor stuk gemotiveerd en betrokken zijn, en zich inzetten zo goed ze kunnen, nemen ze nog iets anders mee in hun vrijwilligerswerk: hun persoonlijkheid.

Daphne en ik ontmoeten elkaar op de eerste avond dat ik in Lesbos ben. Ik weet eigenlijk nog niets, alleen maar dat ik graag wil helpen. Daphne gaat haar avonddienst in en ik vraag of ik met haar mee mag rijden, zodat ik een indruk kan krijgen van wat er nodig is. Ze vindt het prima en drukt me op het hart me warm aan te kleden. “Minstens vijf lagen!” roept ze me na als ik naar mijn hotelkamer ren om mijn kleding te pakken.

Met Daphne achter het stuur beleef ik mijn primeur op de ‘dirt road’. Er is net een bootje aangekomen vernemen we via de app en Daphne heeft er flink de vaart in om naar een punt bijna op het einde van de kilometerslange, onverharde weg te komen. Het is pikkedonker, er wandelen vluchtelingen in tegengestelde richting, er rijden auto’s van andere organisaties en we moeten naar iets dat ‘Sheepfarm’ heet. Terwijl ik mijn leven aan me voorbij zie flitsen en me vastgrijp aan alles binnen handbereik, roept Daphne vrolijk boven het gekraak en geritsel van de rescue blankets uit: “Nu is het goed te doen. Vorige week regende het en dan is het een modderpoel. Nu gaat het prima!”
Ok, dit is dus ‘prima’.

Om mezelf een beetje af te leiden van mijn doodsangst maak ik een praatje met Daphne. Ik vraag voor alle zekerheid of het háár niet afleidt van de weg, maar dat vindt ze geen enkel probleem. Daphne is eigenlijk journalist. Normaal gesproken schrijft ze over wat anderen meemaken en nu had ze voor zichzelf besloten dat zij zélf eens in actie wilde komen. Stichting Bootvluchteling is blij met haar, want ze is getrouwd met een Griek, woont in Griekenland en spreekt Grieks. Superhandig. O ja, ze heeft ook nog twee kleine kinderen tijdelijk achtergelaten. En o ja, ze is ook nog vertaalster. En o ja: ook nog wedding planner.

Het lijken misschien irrelevante dingen, maar dat zijn het zeker niet. Als moeder zijnde kent ze goed de basisbehoeften van kinderen, als vertaalster kan ze nóg beter met handen en voeten praten met de vluchtelingen en als wedding planner is ze gewend om snel te schakelen en goed te organiseren en zich in anderen in te leven. Kortom: ze is hier prima op haar plaats!

Op haar eerste nacht in Mytilini (waar kamp Moria helaas niet voorziet in verwarmde opvangplaatsen) krijgt Daphne het voor elkaar om een familie met vier kinderen bij een plaatselijke Griek onder te brengen. Deze familie is net aangekomen en de pasgeboren baby is onderkoeld. Daphne praat met een Griekse man die toevallig net voorbijreed met zijn bestelbus, medelijden kreeg met de familie en de kleine kinderen in zijn bestelbus wat bescherming geeft tegen de nachtelijke kou. Ze rijdt met de Griek met acht personen naar zijn huis en helpt daar bedden opmaken voor de vluchtelingen. De man moet de volgende ochtend weer werken om acht uur, maar de familie mag zo lang blijven als ze willen. We zijn diep ontroerd door zijn medeleven én door zijn vertrouwen.

Maar het mooiste aan Daphne vind ik haar gedrevenheid om de kindjes te ‘pimpen’, zoals zij het zelf noemt. In de volgende dagen tref ik haar regelmatig in de voorraadruimte, waar ze met grote zorg kledingsetjes bij elkaar zoekt. (“Denk je dat deze broek leuk staat bij dit vestje?”) Als de vluchtelingenkinderen koud en nat van de boot komen krijgen ze van de vrijwilligers droge kleren aangetrokken. Daphne vindt het niet alleen belangrijk dat de kleding droog en warm en in de goede maat is, maar het moet ook een beetje bij elkaar passen, vindt ze. De kinderen moeten er toch mooi uitzien? Als nieuwkomer heb ik eerst mijn twijfels over de noodzaak hiervan. Wat maakt kleur nou uit? Als het maar droog en warm is.

Maar gaandeweg begrijp ik beter wat ze aan het doen is. Zij ziet niet alleen een klein, nat mensje, maar iemands kind, die er niet als een bedelaar bij hoeft te lopen, maar ook gevoelens heeft en waar ouders ook met trots naar kunnen kijken. Iedere ouder wil trots zijn op zijn of haar kind.

Op een dag zie ik haar een klein meisje aankleden in haar auto. Het kindje van een jaar of vier is net met haar familie overgekomen en is flink nat geworden tijdens de overtocht. Ze krijgt een prachtig blauw setje aan (met zorg door Daphne samengesteld), met een vrolijk gekleurd truitje en bijpassend mutsje. Het kind zit als een prinses te stralen in de auto. Haar vader kijkt vertederd toe.

Dit zal later hopelijk haar herinnering zijn aan de gevaarlijke overtocht: niet de stress, de spanning en de kou, maar hoe belangrijk ze was en wat een mooie kleren ze aankreeg, met veel zorg en liefde.

Door Bionda Heeringa – de Kreij