Lesbos – Het is een heilige berg, dat Moria

Het is een heilige berg, dat Moria. Een berg waar tempels gebouwd worden (Bijbel) en waar de sterren zich in al hun magische schoonheid in het water weerspiegelen (Lord of the Rings). Maar in het Moria op Lesbos is daar weinig van terug te vinden.

Ja, het is op een berg, maar daar is echt alles mee gezegd. Kinderen spelen er tussen het afval. Tentjes en volstrekt geïmproviseerde afdakjes staan kriskras door elkaar. Het wemelt er van de mensen. Het stinkt overal en het is er broeierig warm. Nog voor we het kamp binnen zijn, willen we al weg. Dit Moria heeft niets magisch. Dit is niet Moria, dit is Mordor (LotR), of de hel (Bijbel).

Te midden van die chaos loopt een jongeman zoekend rond. Hij is zijn vrienden kwijtgeraakt tijdens de reis en hoopt ze in dit kamp te vinden. Maar hij weet niet waar te zoeken. Samen met ons stapt hij verder: net zo verloren, net zo verafschuwd en verbaasd. Overal liggen mensen uitgeteld te slapen: heel veel Afghanen, maar ook Pakistani, Somaliërs en Eritreeërs. Soms hebben ze een soort donker gaasachtig worteldoek boven zich uitgespannen voor een beetje schaduw, soms zitten ze onbeschermd onder een boom. Er wordt ‘s nachts gestolen en geroofd, hebben we gehoord. Bij het uitdelen van het schaarse eten zijn er opstootjes. Al die nationaliteiten bij elkaar, hoe kan dat goed gaan?

Ergens in een hoekje hebben jongetjes een spel bedacht met de kooltjes van een gedoofd vuurtje. Op een richel lopen we tegen tentjes aan en glibberen we langs het losliggend gruis naar beneden. Een jochie van een jaar of acht laat aan een vriendje zien hoe hij een stok op zijn vingers kan laten ronddraaien. Een moeder trekt zich terug in haar tent en geeft haar baby de borst. Even verderop krijgt een groepje kinderen ruzie, oudere jongens bemoeien zich ermee en proberen de boel te sussen. Een ander groepje rent langs en trekt zich terug in de toiletten. Als wij er gaan kijken, vliegt het ongedierte ons tegemoet. De lucht is penetrant en ongezond.

We lopen een steil betonpad op. Er komt een busje van Dokters van de Wereld naar beneden. Stapvoets gaat het, vlak langs de tentjes die zelfs op het beton staan opgesteld. Onze metgezel slaakt een kreet: “there are my friends.” Tussen al die mensen zitten ze eenzaam onder een boompje: een man, een vrouw en twee kleine kindjes. Ze zien er keurig verzorgd uit, alsof ze hier niet thuishoren; alsof ze rusten tijdens een trektocht die nog niet ten einde is, de tassen bij wijze van spreken nog op hun rug.

We gaan bij hen zitten. Hoe was jullie reis? Moesten jullie lang lopen, of was er een bus die jullie meenam? Hebben jullie al een tent? Waar wil je naartoe? De jonge vrouw beantwoordt onze vragen in vlekkeloos Engels. We complimenteren haar met haar zoontjes, die dicht tegen hun moeder aankruipen. Ze slaat haar arm om de jongetjes heen. “Hebben jullie te eten?” vragen we. Het antwoord komt binnen als een bom: “money is gone.”

Dit Mordor, deze hel, is bikkelhard. “Money is gone.” Het betekent geen tent, geen eten, geen ticket om het eiland te verlaten, geen dromen, geen leven. “Money is gone” betekent “gevangen blijven in deze hel.” Terwijl ze het zegt, draait ze haar hoofd weg en wrijft in haar ogen. Haar zoontjes klampen zich aan haar vast. We willen wat doen, maar voelen ineens hoe we opvallen, tussen al deze mensen die ook niets hebben. Iets geven kan gevaarlijk zijn, niet in de laatste plaats voor hen. Een tijdje zitten we stil bij het groepje. Dan wrijft René kort met zijn hand over haar hand. Het is tegen alle culturele regels, maar het voelt logisch – als het enige dat je in zo’n situatie kunt doen. Als we weer bij de auto staan, vraag ik hem: heb je haar iets gegeven? Hij knikt. Ik heb het niet gezien. Hopelijk ben ik niet de enige…

(Door Alfard Menninga)