Lesbos – Ik had het kunnen zijn

Ik had het kunnen zijn!

Na twee dagen Athene zijn René en ik last minute doorgevlogen naar Lesbos. De situatie wordt er steeds meer kritiek en het is nodig om de strategie van de stichting bij te stellen. In de transit area (annex parkeerplaats, bushalte en braakliggend stuk beton) in Molyvos raak ik aan de praat met een 22 jarige Afghaan. Zoals zo vaak dezer dagen realiseer ik me dat ik het net zo goed had kunnen zijn, en de schrik slaat me om het hart.

Natuurlijk, ik ben het niet: ik heb geen grote tattoo met het woord “freedom” op mijn arm. Ik ben geen 22 meer. Mijn ouders zijn nog goed ter been. En ik woon in het veilige Nederland. Maar ik had het wel kunnen zijn, als ik in Afghanistan had gewoond, als hier in Nederland de pleuris was uitgebroken, of als ik in de tijd van mijn grootouders geboren was. Dan had ik het kunnen zijn. Want ook ik ging naar de universiteit en haalde daar mijn degree. Ook ik spreek meerdere talen (hij zelfs vijf) en ook ik zit nu op deze stoffige parkeerplaats in Molyvos. Als ik met deze 22-jarige jongen spreek, realiseer ik me weer hoeveel geluk ik heb gehad en hoe hard ik hoop dat hier de pleuris niet zal uitbreken.

Het verhaal dat hij vertelt is zomaar één van de vluchtverhalen die ik hier op Lesbos hoor. Hij vertelt het in vloeiend Engels en ik hoef het alleen maar op te tekenen.

“Ik ben Ahmed. Ik ben tweeëntwintig. Dit zijn mijn vader en mijn moeder. Dit is mijn vrouw en dit zijn mijn dochtertjes. We komen uit Kabul. Het is zo gevaarlijk daar. De boot was gevaarlijk en Kabul was gevaarlijk. En nu zijn we hier. We zijn zo moe, we hebben drie dagen niet geslapen.”

“Wat voor werk deed je in Kabul?”

“Ik heb een bachelorsdegree in engineering. Ik werkte drie maanden voor een Amerikaans bedrijf. De selectie was erg streng, en er kon er maar één gekozen worden. Dat was ik. Maar toen ontplofte er een suicide bom voor de deur van het bedrijf. De Amerikanen zijn toen vertrokken, en ik was werkeloos. Er ontploffen elke dag zelfmoordbommen. Eentje op tweehonderd meter van ons huis. En de laatste keer wel zes op één dag. Het was zo gevaarlijk, we konden niet blijven. Bovendien: ik moest ook weg. Ik heb voor de Amerikanen gewerkt, en dan komen ze je vroeg of laat opzoeken – je weet wel. Ik was gevangen in mijn huis, en kon niet naar buiten.”

“Hoe was de reis?”

“Het was erg gevaarlijk. We hebben twee dagen gelopen, door de bergen. Het was ontzettend steil. Mijn moeder heeft een slecht been, en mijn vader heeft haar gedragen. Hij loopt zelf met een stok. Gelukkig had hij die mee, anders was het nooit gelukt. Ik liep met drie rugtassen, van mijn vader, mijn moeder en mijzelf. Mijn vrouw was met de kinderen. Het was zo zwaar.”

“Het was gevaarlijk?”

“Ja, bij de grens moesten we rennen. We werden beschoten: “poef, poef, poef”. Het was echt heel gevaarlijk. Door, hoe noem je dat, de soldaten, de grenswacht. Ze wilden ons tegenhouden. We mochten Afghanistan niet uit. Je kunt het je niet voorstellen, zo gevaarlijk. Gelukkig zijn we nu hier. We willen zo ver mogelijk weg van Afghanistan. Er is oorlog in Afghanistan, weet je. Het is de Taliban en de terroristen en de regering en de Amerikanen. Het is echt heel gevaarlijk.”

“Hoe deden jullie het met de kinderen?”

“We hebben ze gedragen, mijn vrouw. En ze hebben gelopen. Kijk, ze zijn heel moe. Wij zijn ook moe. We hebben drie dagen niet geslapen voor we met de boot gingen. Dat was ook gevaarlijk, met de golven. Ze waren hoger dan de boot. De meisjes moesten huilen. Kijk, mijn vader hier bestuurde de boot. Hij deed het goed. We zijn nu hier en veilig.”

Als hij vraagt of de bus naar het kamp nog komt, moet ik mijn schouders ophalen. “Ik weet het niet. Niemand weet het.” “Ik hoop het. En anders morgen. Dit is geen plaats om te rusten.”

Hij heeft gelijk. Hoe goed alle vrijwilligers ook hun best doen: dit is geen plaats voor mensen. Er zijn zeilen gespannen, er is karton zodat ze niet op de grond hoeven te zitten, en er is dankzij giften een beetje te eten. Maar dat betekent niet dat het een plaats voor mensen is. We kunnen het alleen maar zo menselijk mogelijk maken. En in de kampen is het weinig beter.

Het is een wrange constatering. Zeventig jaar geleden vierden mijn grootouders de bevrijding. Mijn opa kwam uit de onderduik, mijn oma fietste op haar houten banden stad en land af om de hongerwinter in Amsterdam door te komen. Ze vierden groot feest toen de vijand eindelijk verdreven was. Deze mensen zijn ontkomen aan zelfmoordterroristen, aan schietgrage grenswachten en aan de gevaren van de zee. Maar aan feestvieren zijn ze nog niet toe. Het blijft bij een tattoo met het woord “freedom” en af en toe een glimlach als ze over hun dromen praten. Maar ondertussen zijn ze dakloos in een werelddeel waar dat nergens voor nodig is, en dat geldt voor sterke jonge mannen, voor ouderen, maar ook voor kleine kinderen.

Ik moet er niet aan denken dat mij dit overkomt. En als ik er per ongeluk wel aan denk, dan slaat de angst me om het hart. Ik zou namelijk niet weten waar ik heen zou kunnen: gevangen in mijn land, in mijn angst en in een oorlog die er gelukkig nog niet is.

** de mensen op de foto’s kwamen tegelijk aan met deze man. Omwille van privacy zijn er geen foto’s van hem geplaatst en is zijn naam gefingeerd **

(door Alfard Menninga)