Lesbos ‘Is er een dokter aanwezig?’

We horen iemand schreeuwend door het vrijwilligershuis lopen. ‘Er ligt iemand op straat.’ We grijpen onze crashbags en haasten ons naar buiten. Een jonge man, begin 30, ligt half huilend en trillend op de stoep. We kunnen hem niet bereiken en hij reageert niet op onze vragen, verloren in zijn eigen wereld. Het is laat en donker buiten. De koude wind blaast om me heen en ik kijk naar de man die volledig nat is, zonder schoenen, met zijn vingers verkrampt bij zijn hoofd. Hij ziet er Afghaans uit, maar dat weet ik niet zeker. Zijn armen zijn bedekt met bloed, waarschijnlijk van het scherpe koraal. Hij blijft huilen en mompelen, met dichtgeknepen ogen, maar we kunnen hem niet begrijpen. We dekken hem net af met een reddingsdeken als de ambulance arriveert.

‘Er zijn er waarschijnlijk meer’, zegt onze Griekse buurman die ons hielp. Samen met wat vrijwilligers lopen we naar het strand. We zoeken met een sterke lamp naar meer vluchtelingen op de kustlijn, maar vinden er geen. We vinden wel twee schoenen, keurig naast elkaar bij het water. Ik kijk er naar en vraag me af of ze van hem zijn. Misschien kwam hij niet uit Turkije maar was hij al op het eiland? Was hij wanhopig, wilde hij niet meer zo leven? Wat bewoog hem om deze koude zee in te gaan? De zee waar al duizenden vluchtelingen omkwamen.
Ik heb medelijden met de man die de vijfduizend andere vluchtelingen weerspiegelt, die dezelfde wanhoop en frustratie voelen en vastzitten op dit eiland. Vast in een hopeloze en inhumane situatie. Ik kijk naar de woeste zee, de hoge golven en denk aan de mensen die hun leven vanavond riskeren om Europa te bereiken. Het Europa waarin ze denken dat alles beter zal zijn, wat het niet is.

We wandelen de heuvel op, terug naar het huis. Sommige vrijwilligers moeten naar hun dienst in Moria. Moria, het kamp waar veel mensen al maanden in hun tenten wachten, wachten op mensen die hen helpen het een beetje draaglijker te maken, wachtend op een beter leven.