Lesbos – Juichen

Voor het eerst uren samen met vele anderen de voedsel- en waterpost bemand, en ’s middags de eerste boot zien arriveren.

Het huren van een auto, hoe moeilijk kan het zijn? Of het verhuren? Een eenvoudige logistieke handeling, zo lijkt het. Voor ons – Arjan Fennema, Peter Sinia en ik – ging een groot deel van de zondag ermee heen. Het leverde weliswaar achteraf grappige Asterix- en Obelixachtige scenes op maar was toch frustrerend. Chaos is een Grieks woord, is de conclusie. De weg van A naar B verloopt via paardensprongen, niet rechtstreeks. Direct al bij aankomst op het vliegveld bleek de grote bus er niet te zijn. Die wilden we graag om ouderen en/of mensen die slecht ter been zijn of anderszins gehinderd te kunnen vervoeren. De vrouw in kwestie gaf ons een tamelijk gevaarlijke, krakende auto mee waarvan het stuur ‘los zat’ (Peter Sinia). Tegelijk, en misschien is dat wel typisch Grieks, kookt dezelfde vrouw elke dag voor honderden mensen. De bleek uit haar verhalen; de vertraging had dus een voordeel. We hopen er deze week nog een dag of een halve dag mee te draaien. Nu met twee kleinere auto’s. Migranten en vluchtelingen kunnen die tien minuten ook bij elkaar op schoot. En vrouwen en kinderen hebben altijd voorrang.

Gratis fruit
En er zijn meer Eilanders die zich van hun beste kant laten zien. Dat bleek vandaag weer. De groenteman die vanmorgen bij de Oase, de pitstop voor pas aangekomen vluchtelingen, dozen bananen en appels kwam brengen, wilde er geen cent voor hebben. Het lijkt erop dat na de eerste schrik van maanden geleden (migranten slapend op stoepen, voor winkels, hotels, in de straat) het improvisatietalent en de pragmatische inslag het winnen. ‘Sommigen die eerst anti-vluchteling waren, zien nu in dat er misschien ook handel in zit.’ Mevrouw Pepi zucht alleen maar op de vraag hoe het gaat. Ze zit achter de houten balie van een beetje Oostblok-achtig maar gezellig hotel. ‘Ik had 25 Turken verwacht voor een vakantie maar 22 hebben gecanceld.’ Er kwamen er maar drie.
In plaats daarvan, dat ziet Pepi ook wel, stromen er ‘humanitarians’ binnen; Israëli’s, Noren, Nederlanders, Britten, van alles wat. De sfeer is internationale verbroedering, ‘aanpakken’, improviseren en aanstekelijk – en dat mag ook wel, want het is echt een unicum dat zoveel grassroots initiatief van gewone burgers in een humanitaire noodsituatie doet, wat normaal altijd die bekende hele grote organisaties doen. Maar hier dus (nog) niet. Tegenover het negatieve van zoveel ontheemde mensen, een dagelijkse exodus met echt levensgevaar, staat het positieve: deze spontane hulpuitbarsting, de hulpvaardigheid en het medeleven van eilanders en toeristen, en de soms totaal perplexe reacties van Afghanen, Syriërs, Irakezen, die na twee dagen slapen en een slechte behandeling aan Turkse zijde op alles gerekend hadden maar niet op dit: droge kleren, kinderknuffels, iemand die brood voor je smeert en ‘Welkom’ tegen je zegt.

Zwaaien en fluiten
We staan daarbij met het gezicht naar zee, direct aan het af- en aanrollende water dat de ronde keien op het strand doet ketsen. Aan de overkant ligt Turkije. Komt er een boot aan, dan zwaaien we als gekken met reddingsvesten en blazen op schrille fluitjes. Er liggen rotsen net onder water voor de kust en het moet niet misgaan. Dan rijdt iedereen die kan, zo snel mogelijk naar het aanlandpunt. Anne-Phebe Hartsuiker, die coördineert namens stichting Bootvluchteling, zei het bij onze briefing: ‘We maken veel lawaai en juichen, omdat ze het halen en omdat ze die positieve energie overnemen.’ Dat is wel zinvol, want die heb je nodig. Zeker vandaag, in stromende regen soms.
Wat moet je verwachten? Hoe gaat dat? Om te beginnen is het landschap dramatisch. Een steile rotsige kust, schitterend, met uitzicht op net zo’n kust, aan de overkant. Een stip die zich losmaakt uit de horizon en dichterbij komt. Een weg ernaartoe, die langs steile afgronden voert met veel hoogteverschillen. En: onverhard. Proberen met veel misbaar de aandacht te trekken, ongelukken voorkomen. Wat loopt hier allemaal? Spanjaarden, Noren, Nederlanders. ‘Jullie sturen sommige van jullie beste mensen’, zo had mevrouw Pepi gezegd, Europa bedoelend met ‘jullie.’
‘Niet meteen het water in rennen, was het motto. Dat geeft grotere kans op ongelukken. Verstuikingen, wonden, vallen, breuken. Niet bij ons maar bij hen, omdat ze zo blij zijn dat ze het levend haalden, of juist bang en ijskoud en daarom meteen overboord willen.

Bij aankomst spreek ik Muhammed uit Damascus, 19. Hij vertelt dat bombardementen door troepen van Assad zijn ouders, broer en zus doodden. ‘Ik heb nog een broer in Duitsland, daar probeer ik nu te komen.’ Hij bekostigde de reis door zijn autootje te verkopen: 1000 euro. ‘Syriërs verkopen nu alles, huis, spullen, om weg te komen.’ Hij wil liever niet over het verlies van zijn familie praten. Hij zegt vijftien keer een poging gedaan te hebben Europa binnen te komen. ‘Zeven keer met de boot. Telkens teruggestuurd. Door Turkse schepen maar ook Griekse. De Turkse smokkelaars gedragen zich keihard. Ik heb gezien dat iemand een buks afschoot vlakbij het oor van een vrouw in onze groep.’ Intussen loop ik met Muhammed, Saad en Hossam het bergpad af, de auto waarmee ik kwam is krakend in de assen – Thed Andre zit achter het stuur – vol vluchtelingen ervandoor gegaan.

Ik heb gelukkig wat zilverfoliedekens bij me. Op deze regen ben ik zelf ook niet gekleed dus doe ik er zelf ook een om. De metaalglans van de wijduit wapperende dingen maakt het hele tafereel en deze hele tragische, moeilijk te vatten gebeurtenis van een rubberboot vol vrede en geluk-zoekers nog wonderlijker. We sjouwen samen verder, langs het uiterste randje van Europa, een richel, een stenen balkon van een landschap hoog boven zee.

Mohammed wil liever lachen en op schouders slaan van de opluchting dan over zijn familie praten. Het is zijn verhaal, ik kan het onmogelijk checken; net zo min als de twee keer dat hij een kind van verdrinking redde, vertelt hij, en zelfs nog een volwassene: ‘Ik moest het doen, ik kon dat niet laten gebeuren.’
Maar iets zegt me dat het allemaal maar al te waar is. Waarom zou je anders je leven in handen geven van handelaars in mensentransporten die werkelijk nergens voor terugschrikken.

Het wandelen doet me goed. Ineens een vertraging in de hectiek. Temidden van een grootse natuur. Ik vertel de drie Syriërs dat ze nog mazzel hebben: drie weken terug reden er immers nog geen bussen naar de eilandhoofdstad Mitilini. ‘Als je eerder gekomen was, had je 70 kilometer moeten lopen.’

De sporen van die kinder- en volwassenenkruistochten dwars over het ruige eiland zijn overal. De vervuiling is gigantisch. Na de doodsangst en twee dagen niet slapen is gescheiden afval inzamelen enzovoort wat minder een prioriteit geworden voor dit internationale leger van zwervende dakloze mensen. Vanavond doe ik met Peter Sinia voor het eerst mee met een uurtje opruimen. Onderweg passeren we een Zweedse dokter die zo fanatiek aan het vuilrapen en opruimen is dat je wel kunt zien dat ie erdoorheen zit. Dit alles nog steeds in een schitterend landschap.

Vuilnis oprapen
We hebben de keus uit klein vuil rapen of zwemvesten stapelen. Het is wel rustgevend werk, zo ’s avonds na al die chaotische mensenmassa’s, mensen die vaak niet eens weten waar ze nu zijn en hoe nu verder. Griekenland? Europa? Zijn we daar nu? Echt?
Even alleen maar waterflessen, plastic rommel en papierwinkels oprapen bij het ruisen en rollen van de zee op de keien. Dat heb je na zo’n dag nodig. Ik blijf mog wat langer bovenaan de steile kustweg. Twee agenten stoppen en zeggen: ‘You are a hero.’ En dan had ik mijn cape van aluminiumfolie niet eens meer om. Een snedige wedervraag zou kunnen zijn: ‘Ja, gaaf he, sturen jullie ons een paar Grieken, dan hoeven wij het niet alleen te doen. Want het is wel jullie eiland.’ Anderzijds, deze puinhoop is zo onvoorstelbaar groot dat ik wel een beetje begrijp dat de eilanders met de handen in het haar zitten. En al die lifejackets zijn nergens goed voor, ze kunnen zo de vuilverbrandingsoven in.

Ik heb ook migranten gezien die vuil opraapten in in de zakken gooiden. Zoals er trouwens ook ouders zijn die erop staan dat hun kinderen Dankuwel zeggen als ze brood, fruit en water krijgen. En dat zijn volgens mij vaak de Syrische ouders.

Checken
Over verhalen checken gesproken. Bij het voedselverdeelpunt, de “Oase”, staat ineens een man voor me die wat Nederlands spreekt. ‘Ik heb in Nederland gewoond maar moest terug naar Irak, het zou daar veilig zijn. Mijn dochtertje van zes is geboren in Ede-Wageningen.’ Nu moet het niet gekker worden. Daar woon ik. Het schattige kind staat naast hem. Om te bewijzen dat hij het niet verzint, pakt hij zijn rijbewijs erbij. Is gewoon een Nederlands rijbewijs, afgegeven in 2013.

Over checken gesproken. ‘We vinden op het strand van alles, een Turks paspoort, Iraans geld.’ Ik heb de indruk dat Syriër zijn ongemeen populair is, ook bij mensen die dat niet zijn. Het lijkt onwaarschijnlijk dat die truc lukt verderop in het hervestigingstraject van deze migranten. En we hoeven het op dit moment ook niet te weten. We zijn hier omdat verder niemand hier is en omdat het niet anders kan. Saad vroeg het onderweg tijdens het lopen: Are you government? NO government…?’ Nee, geen regeringen en geen grote NGO’s. Gewoon een heleboel burgers uit diverse landen van Europa.

Door Hilbrand Rozema