Lesbos – Manon Mol

Naast dat alle vrijwilligers voor Stichting Bootvluchteling stuk voor stuk gemotiveerd en betrokken zijn, en zich inzetten zo goed ze kunnen, nemen ze nog iets anders mee in hun vrijwilligerswerk: hun persoonlijkheid.

Manon en ik zitten in de auto. Het is half twee ’s nachts en in het pikkedonker rijden we achter de Stichting Bootvluchteling bus aan. Aan het stuur van de bus zit Guy en die weet de weg. We zijn op weg naar Mytilini, omdat waar we in het Noorden gestationeerd zijn even geen vluchtelingenbootjes aankomen. Wel in Mytilini, dus daar moeten we nu zijn. Het is niet anders. Ik vraag een paar keer of Manon zich wel veilig voelt, want ik kan me voorstellen dat het een spannende rit is. Maar ze heeft er alle vertrouwen in.

Zo zitten twee wildvreemde vrouwen (we komen er achter dat we even oud zijn) bij elkaar in een auto, met maar één doel: kwetsbare mensen helpen. We gebruiken de reistijd van ruim vijf kwartier om elkaar een beetje beter te leren kennen. Manon werkt op een Mytylschool. In haar klas zitten ook autistische kinderen, die het erg moeilijk vinden dat ze er twee weken niet zal zijn. Manon heeft uitgelegd: “Ik ga naar een eiland en daar komen kindertjes naar toe met natte kleren. En ik ga ze dan helpen droge kleren aan te trekken.”

Het is me vooral duidelijk dat Manon een groot netwerk achter zich heeft van mensen in Nederland die haar steunen. En ze heeft het steeds over vingerpoppetjes die ze vanuit Nederland heeft ingezameld en meegenomen. Poppetjes die je op je vinger kunt zetten. “Om kinderen blij mee te maken”, zegt ze vol vertrouwen. Ik ben wat cynischer. Als nederlandse kinder-fotograaf ben ik heel wat kindjes gewend die hun neus ophalen voor vingerpoppetjes. Geef hen maar een iPad. Of op zijn minst een pop met batterijen. En zitten onderkoelde kinderen in de stress echt te wachten op kleine stoffen poppetjes? Ik weet het niet.

Als we in Mytilini aankomen kunnen we meteen aan de slag. Er is net een boot aangekomen en er zijn meerdere mensen met (medische problemen). Zonder enige aarzeling duikt Manon er in en gaat aan het werk. Omdat ze met mij meereed en ik er al wat langer ben voel ik me een beetje verantwoordelijk, maar ik zie meteen dat ik me nergens zorgen over hoef te maken. Deze dame weet van aanpakken.

Het is even hectisch en ik word zelf geroepen bij een onderkoelde pasgeboren baby.

Als de hectiek weer een beetje geluwd is vind ik Manon op haar knieën bezig met een klein jongetje. Ze heeft het kind al omgekleed en alle vluchtelingen stappen in de bus van de UNHCR die net gebeld is. Guy roept dat er verderop een nieuwe boot aankomt. Ik roep Manon, maar die gaat zo op in waar ze mee bezig is dat ik drie keer moet roepen. “Manon…. Manon… MANON!”
Pas bij de laatste keer schrikt ze wakker uit haar overpeinzingen en trekt een sprint naar de auto.

We scheuren naar de volgende boot en daar herhaalt zich alles. Zo gaat het door tot een uur of vier. Dan lijkt het even rustig en warmen we ons op bij een kampvuur dat iemand heeft aangestoken. Maar Manon heeft geen rust. “Zullen we even de boulevard afrijden?” stelt ze voor, “even scouten of we wat zien?”

Ik vind het prima en we stappen in de auto, Manon met een adelaarsblik over de gitzwarte zee, op zoek naar dat éne lichtje van een mobiel op het water. Iedere vissersboot bekijken we van alle kanten. Maar vissersboten blijven vissersboten. Die hoeven we niet te redden. En dat we in ons enthousiasme véél te ver doorrijden en ergens in de bergen terechtkomen waar in de verste verte geen vluchteling te zien is, daarover spreken we af dat we dat nooooooit aan iemand zullen vertellen.
(Net zomin als dat we ooit aan iemand zullen vertellen dat het ons later die dag met grote moeite lukt Mytilini weer uit te komen en dat we de hele stad minstens drie keer hebben rondgereden en dat godzijdank Manon zo slim was om een ouderwetse papieren kaart mee te nemen, omdat mijn navigatie-app waardeloos bleek en we dankzij haar en haar kaart toch nog terug bij het hotel zijn gekomen.)

En we rijden nog een keer de boulevard af. Niets te zien. We keren weer terug naar het kampvuur, dat we met eh… enige moeite weer weten te vinden. Daar kunnen we meteen weer met de anderen vertrekken, want er is tóch net een boot aangekomen. Manon en ik kunnen er niet over uit dat we daar 2x langsgereden zijn en niets hebben gezien. Maar het is niet anders. Ook hier worden alle natte kindertjes weer vakkundig door haar omgekleed, vertroeteld en eventueel verschoond. Maar over de vingerpoppetjes hoor ik niets meer. Dat dacht ik wel.

Langzaam wordt het licht. We zijn blij dat we nu weer wat kunnen zien. Opeens komen van alle kanten weer bootjes aan. Geen tijd voor koffie. Ons team moet opsplitsen en Manon en ik rijden naar de noordpunt voorbij de haven, waar bootjes aankomen op een privé strand van een hotel.

Heel veel kinderen. Heel veel koude, bange kinderen. Maar de zon wordt al lekker warm gelukkig. Overdag is het nog wel te doen. Zelf heb ik het druk en ik verlies Manon uit het oog. Ik voel me een beetje knullig, want ze kwam steeds de autosleutel vragen om spullen uit de auto te halen en ik ben als de dood dat we die sleutel kwijtraken. Een andere vrijwilliger staat intussen met auto-pech langs de boulevard. En er blijven maar bootjes komen.

Toch is er een moment van betrekkelijke rust en ik speur het strand af naar Manon. Ik zie haar zitten (weer op haar knieën voor een kindje) en ik begrijp opeens wat zij voor ogen had.
Ze is in ‘gesprek’ met een jongetje van een jaar of vijf. Het kind zit te stralen. Ik kan het niet anders omschrijven. Op zijn hand heeft hij een vingerpoppetje dat hij aan iedereen die het maar wil laat zien. Geen angst, geen stress, geen kou: puur plezier. Ik geloof zelf altijd dat kinderen niets liever willen dan lachen en plezier hebben in het leven. Ook vluchtelingenkinderen. Juist vluchtelingenkinderen. Als iemand dan even bereid is toenadering te zoeken en ze aandacht geeft en een reden geeft om te lachen, dan doen zij de rest wel zelf.

En ik stuur snel een appje naar een vriendin die volgende week naar Lesbos komt: “TIP: weet je wát je mee moet nemen……”

Door Bionda Heeringa – de Kreij