Memoires uit Moria: psychische hulp aan vluchtelingen op Lesbos

“Merhaba, welkom in Turkije,” is het eerste bericht dat op mijn telefoon verschijnt als ik het vliegtuig uitstap. Ik kan het mijn telefoonprovider nauwelijks kwalijk nemen; vanaf het vliegveld kun je Turkije zo’n 15 kilometer verderop zien liggen, een smal strookje Middellandse Zee ertussen. Voor minder dan twintig euro brengt een ferry je van het dichtstbijzijnde Turkse havenstadje naar Griekenland. Tenminste, als je in het bezit bent van het juiste paspoort. De beelden van de vluchtelingen die dat paspoort niet hebben en op een andere manier de Europese Unie proberen te bereiken, zijn waarschijnlijk bij iedereen bekend.

Ik ben op Lesbos om als vrijwilliger te werken in het medisch team van Stichting Bootvluchteling. Van vier uur ’s middags tot elf uur ’s avonds runt deze stichting een medische hulppost in kamp Moria. Moria is het grootste vluchtelingenkamp van Griekenland. Volgens de officiële getallen woonden er eind juni 5500 mensen in Moria, momenteel zijn dit er al ver boven de 10.000. Vrijwel dagelijks komen er nieuwe boten met vluchtelingen op Lesbos aan. Alleen al in juni dit jaar kwamen er meer dan 1500 vluchtelingen per boot op het eiland aan (1). “Psychiatrie?” zeggen mijn collega-vrijwilligers als ik me voorstel en mijn achtergrond uitleg. “Dat kunnen we hier wel gebruiken…”

Begin deze zomer stond er een kort berichtje op enkele nieuwssites: migranten verdronken voor de kust van Lesbos. Een paar regels, meer niet: hoe tragisch ook, de meeste mensen schrikken niet meervan het nieuws dat er weer een rubberbootje op de Middellandse Zee is omgeslagen. Maar direct op mijn eerste dag op Lesbos worden de zakelijke zinnen uit het nieuwsbericht pijnlijk echt. Als laatste patiënt die avond wordt een jongen binnengebracht op de rug van een vriend. Hij kronkelt over de onderzoeksbank en heeft zijn ogen dichtgeknepen. Zijn wangen zijn nat van de tranen, zijn verwassen shirt doorweekt van het zweet. Hij roept wat losse woorden in het Frans terwijl zijn vriend begint te vertellen: de jongen, zeventien jaar oud, is een week geleden op Lesbos aangekomen nadat zijn boot vlak voor de kust was omgeslagen.

“Six mois!” hoor ik de jongen nu verstaanbaar roepen. “Ze was pas zes maanden..!” Hij begint te snikken. “Overal water, overal water,” schreeuwt hij.

De vriend weet niet zeker met wie de jongen aan de oversteek begonnen is, maar hij weet wel dat hij alleen op het Griekse strand arriveerde. “Six mois!” hoor ik de jongen nu verstaanbaar roepen. “Ze was pas zes maanden..!” Hij begint te snikken. “Overal water, overal water,” schreeuwt hij. De vriend vertelt dat de jongen elke nacht gillend wakker wordt in de tent waar hij met tientallen andere vluchtelingen schouder aan schouder slaapt.Als hij ’s nachts naar de slapende lichamen om zich heen kijkt, denkt hij dat het de lijken zijn die hij op het strand uit het water gehaald zag worden.

“Je kunt ervan uitgaan dat alle Afrikaanse vrouwen die je hier ziet verkracht zijn,” is de opbeurende boodschap van de vertaler met wie ik samenwerk. Er blijkt weinig van gelogen. Om de privacy van de vrouwen enigszins te waarborgen, is het beleid om in hun anamnese de letters ‘S+’ te schrijven, codetaal voor ‘history of sexual violence’. De S+en rijgen zich razendsnel aaneen. Hoewel het zeker niet de bedoeling is om de volledige traumatische voorgeschiedenis van de vrouwen uit te vragen, is het onmogelijk om de verhalen níet te horen. De vrouw van wie de echtgenoot voor haar ogen gemarteld en vermoord werd, waarop zij door vijf soldaten verkracht werd. De vrouw van wie het hele dorp werd uitgemoord, die vervolgens verkracht werd door een mensenhandelaar in Turkije en nu zwanger van haar verkrachter hier voor me zit. “Je n’ai personne,” zegt ze met een starende blik in haar ogen. Ik heb niemand. Ze veegt haar tranen af met haar T-shirt. “Je n’ai personne, je n’ai personne,” blijft ze stamelen. Dan, plotseling, begint ze hartverscheurend te huilen. Ze verbergt haar
gezicht in haar handen, haar schouders schokken met elke snik die ze uitstoot. “Ik heb helemaal niemand meer. Ik wil dood.” Die zin heb ik als aios psychiatrie in Nederland vaker gehoord, maar nog nooit was het zó invoelbaar.

“Je kunt ervan uitgaan dat alle Afrikaanse vrouwen die je hier ziet verkracht zijn,”

De kliniek van Stichting Bootvluchteling geeft in principe alleen korte, acute zorg en geen langdurige behandeling. Voor psychiatrische zorg zijn er nog twee andere NGO’s naar wie verwezen kan worden, maar zij kunnen de vraag nauwelijks aan en hebben een complete patiëntenstop in de weken dat ik op Lesbos ben. Alleen de meest extreme gevallen kunnen worden doorverwezen en komen dan ergens onderaan een lange wachtlijst terecht. Maar wie verwijs je in vredesnaam als iederéén een extreem geval is? De man van vijfentwintig die zwijgend voor me zit en over wie een vriend vertelt dat hij ’s nachts in zijn bed plast en begint te gillen zodra het licht uit gaat? De vrouw van eind dertig, zwanger van haar verkrachter, die alleen maar mompelt: ‘ik ga de zee in lopen, in de zee heb ik rust, waar is de zee?’ Of de jongen van negentien die me in alle ernst vraagt of ik hem in plaats van paracetamol misschien een machete wil geven, zodat hij eerst zijn verkrachters en dan zichzelf kan vermoorden?

Maar wie verwijs je in vredesnaam als iederéén een extreem geval is?

Betrouwbare getallen over psychiatrische problematiek onder de vluchtelingen in Moria zijn moeilijk te vinden. Artsen zonder Grenzen spreekt in een rapport uit 2017 over een ‘mental health emergency’ op de Griekse eilanden, waaronder Lesbos. Zij rapporteren een enorme toename van zowel het aantal vluchtelingen met psychische problemen als een toename van de ernst van die problemen. In het laatste kwartaal van 2016 zagen zij 14 patiënten met een voorgeschiedenis van seksueel geweld, vergeleken met 86 in het derde kwartaal van 2017. In 2016 had de helft van hun patiënten een verwijzing voor psychiatrische behandeling nodig, vergeleken met driekwart in 2017(2). De International Rescue Committee (IRC) rapporteerde over de zomer van 2018 dat er sprake was van suïcidaliteit bij 64% van de vluchtelingen uit Moria die zij zagen, van depressie bij 60% en van PTSS bij 41% (3). Deze cijfers zijn inmiddels een jaar oud en lijken bovendien het topje van de ijsberg, omdat alleen de patiënten worden meegeteld die daadwerkelijk bij een van deze twee NGO’s in zorg zijn gekomen. De werkelijke cijfers liggen waarschijnlijk dus nog veel hoger. Van de pakweg tien patiënten met psychische problemen die ik per avond zie voldoet vrijwel iedereen aan de DSM criteria voor PTSS en een groot deel aan die voor depressie. Patiënten voor wie je in
Nederland met spoed een opnameplek met één-op-één begeleiding en medicatie zou regelen, gaf ik in Moria een glaasje water en bood ik een luisterend oor, omdat er simpelweg niets anders te bieden viel.

Patiënten voor wie je in Nederland met spoed een opnameplek met één-op-één begeleiding en medicatie zou regelen, gaf ik in Moria een glaasje water en bood ik een luisterend oor, omdat er simpelweg niets anders te bieden viel.

De shiftcoördinator waarschuwt me voor de volgende patiënte. Ze blijkt gisteren bij een andere arts agressief te zijn geworden en heeft met verbandmiddelen en een schaar gegooid. “Houd de deur maar open,” zegt de coördinator, terwijl de vrouw naar binnen stapt en ik haar via de tolk begroet. “Ik heb pijn,” begint ze. “Zoveel pijn.” Ik kijk haar aan en ze begint plotseling onbedaarlijk te lachen, waarmee ze na een paar seconden weer even abrupt stopt. “De soldaten,” begint ze dan te huilen. “De soldaten. Ze gingen hier naar binnen.” Ze wijst op haar billen. Zonder waarschuwing trekt ze haar jurk omhoog en broek naar beneden. Ik doe een poging haar te kalmeren, weer te laten gaan zitten en geef ook de open deur een zetje omdat ze nu bijna naakt vanuit de wachtkamer te zien is. Ze trekt wonderwel haar jurk weer omlaag en gaat weer zitten. “Tu es gentille,” verzucht ze glimlachend. Je bent lief. Dan draait ze plots haar hoofd opzij en kijkt naar iets wat achter mij schijnt te gebeuren.

“Kijk, kijk daar, die auto!” wijst ze. “Dat zijn de soldaten.” Ik kijk onwillekeurig om en zie alleen de medicijnkast in de hoek van de kamer. “Niet met ze meegaan, hoor,” zegt ze tegen mij. “Ze hebben mij verkracht. Niet met ze meegaan. Ik bescherm je wel. Jij bent lief.” Ik schrijf een verwijzing naar de NGO die psychiatrische hulp biedt en weet dat ze de komende maanden nog niet aan de beurt zal zijn. Ik geef haar paracetamol, omdat ze daarom vraagt en omdat ik geen idee heb wat ik anders voor haar kan doen. “Merci,” zegt ze glimlachend en ze pakt mijn hand. Als ze naar buiten loopt en toevallig een mannelijke collega tegen het lijf loopt begint ze tegen hem te schreeuwen. Met enige moeite begeleiden we haar naar buiten. Ze strompelt weg, in haar hand twee tabletjes paracetamol.

Twee weken later sta ik alweer op het vliegveld van Lesbos, wachtend op mijn vlucht terug naar Nederland. De airco in de vertrekhal loeit, om mij heen staan roodverbrande landgenoten in zomerjurkjes en korte broek. Ik bekijk mijn paspoort in mijn hand, waarop in gouden letters ‘Europese Unie-Koninkrijk der Nederlanden’ staat gedrukt. De grondstewardess bekijkt de foto in mijn paspoort vluchtig, geeft het me terug en wenst me glimlachend een goede reis naar huis. Het contrast met de verhalen uit Moria is zo pijnlijk groot dat het ironisch is. Merhaba. Welkom in Europa.

Arts Ragna Boerma was in de zomer van 2019 vrijwilliger in ons medisch team in Moria. Ze verwoordde haar ervaringen in dit artikel, dat ook gepubliceerd werd in medisch tijdschrift Medisch Contact.

1. Aegean Boat Report https://www.facebook.com/AegeanBoatReport/
2. MSF. Confronting the mental health emergency on Samos and Lesvos
http://urbanspaces.msf.org/wp-content/uploads/2019/03/confronting-the-mental-health-
emergency-on-samos-and-lesvos.pdf
3. IRC. Unprotected, unsupported, uncertain
https://www.rescue.org/sites/default/files/document/3153/unprotectedunsupporteduncertain.
pdf