Mustafa (7) verslaat Moria, zonder gehoor

Een collega van de stichting vertelde een paar weken geleden hoe een grotendeels doof jongetje op school in Moria een bomexplosie uitbeeldde; waarschijnlijk de oorzaak van zijn handicap. Ik had direct medelijden. Zelfs mét al je zintuigen is het moeilijk om je hoofd boven water te houden in dit kamp. Alles is nieuw, chaotisch, gevaarlijk. Ik dacht aan hoe akelig ik het vind om met oordoppen te slapen op een nieuwe plek. Het is moeilijk om een compleet beeld te vormen van je omgeving zonder geluid. En wat als er gevaar dreigt? Dan kunnen je oren je niet waarschuwen! Dit jongetje komt continu in nieuwe (dreigende) situaties met nieuwe mensen en kan zijn oordoppen nooit uitdoen. Ik voelde een lichte vlaag van paniek. Wat moet hij zich verloren voelen, dacht ik.

Tot ik Mustafa (7) zelf ontmoet. Het is een maandagochtend op school. Ik wil hem helpen met wat sommetjes, maar als ik even wegkijk is hij al klaar. En dat laat hij me weten ook. Met grote ogen trekt hij aan mijn mouw en wijst hij driftig naar zijn papiertje. Dit is de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat ik de kracht in dit kind zie. Het raakt me. En het maakt me nieuwsgierig: welk verhaal schuilt achter deze kleine leeuw?

Ik besluit zijn moeder te zoeken om dat uit te zoeken. Dit werd een van de bijzonderste dagen uit mijn leven. Die deel ik graag met jou.

Trotse ouders

Op een woensdagmiddag ga ik samen met fotograaf Kathelijne en een tolk op zoek naar Mustafa’s container van pakweg 20m2. Hij woont hier met zijn moeder, vader, twee zussen en een ander gezin van vijf personen. Als we aankomen ontvangen ze ons hartelijk voor de deur. De warmte van vluchtelingen hier blijft me ontroeren. Ook nu weer. Met hulp van de tolk leg ik uit dat ik verhalen schrijf over mensen in Moria voor de website van Stichting Bootvluchteling. Ik deel dat ik Mustafa een bijzonder kind vind, dat ik graag over hem wil schrijven en vraag of moeder wat vragen wil beantwoorden. En of Kathelijne foto’s mag maken. Mustafa’s ouders gloeien van trots en willen graag helpen. Ik bedank enthousiast en vertel dat ik samen naar een rustige plek net buiten Moria wil gaan.

Ineens verdwijnt het hele gezin naar binnen.

Verbaasd kijk ik de tolk aan: willen ze toch niet mee? Lachend schudt hij zijn hoofd: ‘Ze gaan Mustafa mooi maken.’ Vijf minuten later komen ze weer naar buiten. Mustafa ziet er spic en span uit. Zijn sprekende gezichtje is gewassen, zijn haren zitten strak in de gel en hij heeft een bloesje aan. Het was aandoenlijk om hem zo netjes – bijna glimmend – te zien tussen de troep in Moria. Ik heb zelf nog geen kinderen, maar vriendinnen sturen me regelmatig schattige foto’s van hun kroost in de mooiste pakjes. Ik realiseer me dat het voor ouders in Moria net zo belangrijk is om te laten zien hoe mooi en lief hun kids zijn.

Iedereen lijkt klaar om te gaan, maar als we moeder en Mustafa vragen om mee te lopen gaat hij met zijn armen over elkaar op een steen zitten. Al snel blijkt hij niet mee te willen zonder zus Rajaa (9). Begrijpelijk. Ik zou ook bang zijn om gescheiden te worden van mijn dierbaren op een plek waar zij mijn enige houvast zijn. Dus Rajaa gaat mee.

‘Ik deed alles om hem blij te maken’

We lopen naar een vredige olijfgaard met olijfbomen, gras en bloemetjes, een klein eindje buiten Moria. Hier kunnen we rustig praten. Mustafa en Rajaa rennen rond en poseren guitig voor de camera van Kathelijne. Ik strijk met moeder en de tolk neer op een dekentje. Als iedereen lekker zit stel ik mijn eerste vraag: ‘Kun je me wat vertellen over Mustafa?’

Afta – zo heet Mustafa’s moeder – is meteen openhartig: ‘Ik moet beginnen bij het begin. Toen Mustafa twee jaar was, werd ons huis gebombardeerd en verloor hij een groot deel van zijn gehoor. Daarna had hij psychische problemen. Hij durfde niet meer naar buiten. Hij was depressief.’

Ik vraag Afta hoe ze dat zag.

Ze legt haar hand op haar hart en zegt: ‘Ik ben zijn moeder, dat voel je.’

Slik.

‘Hoe werd Mustafa het jongetje wat hij nu is?’ vraag ik verder.

Afta vertelt hoe ze haar zoon er zelf bovenop hielp met veel liefde en aandacht. Ze leerde hem communiceren met lichaamstaal en nam hem mee naar buiten om samen weer voorzichtig met de andere kinderen te spelen. ‘Ik deed alles om hem blij te maken.’

Na een korte pauze: ‘Nu gaat het weer goed met hem. Hij is vrolijk en iedereen vindt hem leuk: de kinderen en de vrijwilligers hier.’

Ik herken wat Afta zegt. Voor veel kinderen is het leven in het Moria moeilijk. In de kleine klaslokalen zitten ze elkaar daardoor regelmatig in de haren. Mustafa zou vanwege zijn handicap een doelwit kunnen zijn voor pesterijen, maar het tegenovergestelde gebeurt. Zijn klasgenootjes zijn lief tegen hem en proberen juist te helpen. Hoewel die hulp meestal overbodig blijkt. Toen ik hem laatst het verkeerde lokaal in wilde sturen (hij zat inmiddels in de klas voor gevorderden, ik wist dat niet) keek hij me verontwaardigd aan en bleef hij net zolang vurig naar zichzelf en de goede deur wijzen tot ik hem naar binnen liet.

Ik vraag Afta naar haar band met Mustafa. Met een grote glimlach en sprankelende ogen antwoordt ze: ‘Onze band is heel goed. Mustafa is echt een moederskindje. Hij is speciaal voor mij, mijn enige zoon. Het is echt een goede jongen. Hij wil zijn zussen altijd beschermen, ook al zijn ze ouder en kunnen zij wel goed horen.’

Dan maakt haar glimlach plaats voor een bezorgde uitdrukking. ‘Ik maak me zorgen om mijn kinderen hier in Moria. Het is hier gevaarlijk voor ze, de omstandigheden zijn slecht. We wonen in één container met nog een ander gezin, zij hebben grote jongens en die maken veel lawaai. Maar dat is oké, het zijn gelukkig goede mensen. Toen we vluchtten uit Irak zei iedereen dat het hier beter zou zijn, maar het is hier erger. Niemand luistert naar ons en we moeten lang wachten. We zijn nu al drie maanden in Moria en hebben ons interview pas op 3 juni. Ik wil een beter leven voor mijn kinderen.’

‘Dat begrijp ik’, zeg ik. Ondertussen vraag ik me af of ik me wel echt een voorstelling kan maken van hoe het moet zijn om zonder uitzicht in Moria te moeten leven na alles wat dit gezin al doorstond. Waarschijnlijk niet.

‘Hoe is dat voor jou?’ vraag ik. Ze vertelt me dat ze het zwaar vindt. Haar man is slecht te been, waardoor Afta het huishouden haast alleen runt. Ze wast, staat elke dag in de rij voor eten en zorgt voor de kinderen. Ik kijk haar aan en hoop dat ze mijn medeleven ondanks de taalbarrière kan voelen. Wat een sterke vrouw.

We zijn even stil en lachen samen om Mustafa en Rajaa die vrolijk rondrennen tussen de bloemetjes. Het enorme contrast is niet te missen.

Ik stel mijn laatste vraag: of Afta weet wat Mustafa later wil worden. Ze zegt dat hij wil studeren en een eigen huis wil, net als ieder kind. En dat de dokter in Moria heeft gezegd dat zijn gehoorbeschadiging misschien verholpen kan worden.

Ik hoop het.

Ik bedank Afta voor haar openheid en vraag of ze nog wat wil toevoegen.

‘Ik heb gebeden voor iemand die naar me wil luisteren en toen kwam jij. Dankjewel, ik voel me beter nu.’

Kippenvel.

Wil jij Mustafa, Afta, Rajaa en andere gezinnen in Moria helpen?

We proberen gezinnen in Moria zoals die van Mustafa vooruit te helpen. Bijvoorbeeld door de basisschool te runnen waar Mustafa en Rajaa elke doordeweekse ochtend Arabisch, Engels, Wiskunde en sociale vaardigheden leren. Wil jij ook wat voor deze families betekenen? Dat kan door te doneren. Elke euro helpt.

Tekst: Suzie Geurtsen
Foto’s: Kathelijne Reijse- Saillet