Taal: een barrière… en een kans (2/3)

Als een Pakistaanse Amerikaan heb ik het geluk gehad dat ik zowel Engels als Urdu spreek. Er zijn tientallen Pakistanen en Bengalen die in het kamp leven, maar slechts een handvol spreekt Engels. Naast medisch vertalen, doe ik ook aan ‘gup-shup’, dit is Urdu-jargon voor gewoon een praatje maken met mensen die langskomen bij onze medische post.

Het maakt een wezenlijk verschil voor Urdu-sprekers, omdat maar weinig vrijwiligers deze taal spreken. Leven in een kamp betekent geen werk hebben en geen hobby’s of iets anders om handen hebben om je mee bezig te houden. Dus vervelen asielzoekers zich en zitten vast in een monotoon ritme, waar je dagschema voornamelijk wordt bepaald door de distributie van maaltijden. Het is niet het ergst denkbare probleem, maar mensen hebben een doel nodig om betekenis te halen uit het alledaagse.

Dus delen ze hun verhalen over hun leven buiten het kamp – zowel verhalen uit het verleden, als hun hoop voor de toekomst. Het uitwisselen van deze verhalen en onze ‘gup-shup’ creert een krachtige connectie en het bewerkstelligt een vertrouwensband die ons beter inzicht geeft in de werkelijke levensomstandigheden voor de mensen in het kamp.

Een van mijn vrienden in het kamp, Ali, weet altijd een sinaasappel of een Pakistaans snoepje in m’n zak te stoppen. En Imran reciteert prachtige Urdu-verzen of zingt Bollywood-muziek, gevolgd door een uitleg over wat de teksten voor hem betekenen. Deze vrienschappen zijn voortgekomen uit een hele andere context, maar het voelt precies hetzelfde als het maken van andere vriendschappen – een vrijwillige uitwisseling van kleine vriendelijkheden.