Ik zag de angst in haar ogen

Vanaf vorige week werk ik op de medische post op Samos. Eén patiënte, de laatste van die nacht, bleef mij bij. Fatima (naam veranderd) was een 38-jarige vrouw uit Afghanistan. Vanaf het moment dat ik haar zag in de wachtkamer, zag ik de angst in haar ogen. We zien veel patiënten met traumatische verhalen, maar haar verhaal raakte mij. Ze was hier met haar twee zoons van 18 en 20 jaar. Haar man was al vele jaren geleden in de oorlog overleden. Om haar twee zoons toch te kunnen verzorgen had zij bij mensen thuis schoongemaakt. Fatima beschreef de laatste 20 jaar van haar leven als een hel. En nu vertelde ze mij dat ze drie jaar geleden was gediagnostiseerd met borstkanker. Ze is destijds geopereerd en zes maanden lang met chemotherapie behandeld. Zelfs tijdens haar behandeling bleef zij werken, om haar medische verzorging te kunnen betalen. Na deze periode besloot ze om te zoeken naar de rust en vrede die ze nooit had gekend. Ze wendde zich tot Europa.

Samen met haar zoons verkocht ze alles en liet ze haar huis en land achter. Na maanden rondreizen, bleef de vrede uit. De Turkse politie arresteerde haar en haar zoons. Ze moesten een lange periode doorbrengen in de gevangenis van Turkije. Al haar medicatie en familiebezittingen werden ingenomen door de Turkse politie. Na een gevaarlijke tocht in een kleine boot, arriveerden ze een aantal maanden geleden in Samos. Sinds dat moment wonen ze in een kleine tent in een vluchtelingenkamp.
Nadat ze dit verhaal verteld had, vroegen we haar waarom ze bij ons was gekomen voor medische hulp. Zonder enige emotie vertelde Fatima ons dat ze zich niet goed voelde. Ze zei dat ze precies dezelfde symptomen en gevoelens had als drie jaar geleden, toen ze was gediagnostiseerd met kanker. Ze voelde deze symptomen al weken, maar ze was te bang om naar de medische post te komen. Bang dat haar angst bevestigd zou worden. Ze wilde haar kinderen niet opnieuw met haar problemen lastig vallen. Nadat we haar hadden onderzocht, namen we contact op met de lokale doctoren. We konden voor een week later een afspraak maken in het ziekenhuis. Hopelijk waren haar vermoedens onjuist en was de kanker niet teruggekomen.
Maar ook al hopen we dat ze gezond is; ik weet dat Fatima en haar familie alsnog dagelijks zullen moeten vechten om te overleven en om te gaan met wat niet te bevatten is. Wat wij doen is helpen waar we kunnen, met zorg die we op dat moment kunnen bieden. En we vragen de internationale samenleving om hen die in de kampen zitten niet te vergeten. Zij die vluchten voor geweld en terreur en op niets anders hopen dan op een vredige plek die ze hun thuis kunnen noemen.